De Academie in gesprek over afstudeerwerk

Ruimtelijke uitwerking van een nieuwe middenzaal typologie, POP2020, afstudeerwerk Paul van de Berge
Tijdens de Afstudeerpresentatiedag voeden studenten hun afstuderen met externe kritiek. Het gesprek dat ter plekke ontstaat tussen Academie en werkveld over niveau en inhoud van de opleidingen is een plezierige en productieve bijkomstigheid. Ook deze keer.
Afstudeerwerk
Wilco Otte presenteerde zijn studie naar een vervlechting van de Rotterdamse stad en haven, Michiel Raats zijn ontwerp voor de ‘Green Zone’ in Bagdad, Paul van den Berge toonde een nieuwe typologie voor het poppodium, Ekkehard van Roosendaal een literair casestudy ontwerp en Wessel Reinders een binnenstedelijk stiltecentrum dat de stad als contemplatief landschap laat figureren.
Rotterdam
Uit het getoonde werk spreekt engagement met stad en regio. Paul vertrekt vanuit een kritiek op het Rotterdams cultuurbeleid en het gemis aan een middenzaal die het regionale popcircuit kan stimuleren. Ook voor Wessel vormt een persoonlijke observatie startpunt van ontwerpen: het gemis aan ruimte voor de beleving van spiritualiteit in de Rotterdamse binnenstad. Wilco’s interesse voor de havenstad Kobe introduceert een frisse blik op de eigen havenstad Rotterdam.
Actualiteit
Tevens valt de actualiteit op als aanjager. Zowel het werk van Paul en Wilco als Michiel’s voorstel sluiten aan op de politieke actualiteit. Wessel’s pleidooi voor een centrumstedelijk stiltecentrum sluit aan op de maatschappelijke tendens om spiritualiteit te bevrijden van de traditionelere levensbeschouwingen. Ekkehard’s door cultuurtheorie en filosofie gevoede papieren architectuur lijkt een vlucht uit deze actualiteit. Echter, deze herontdekking van theorie zou ook gelezen kunnen worden als een herwaardering; zie ook de recente cri-de-coeur in Oase #81 die wijst naar de (pijnlijke) afwezigheid van een theoretisch-kritisch discours.
Ontwerpvakmanschap als thema
Het gesprek van de dag wordt echter bepaald door het thema ‘ontwerpvakmanschap’. Het is Oliver die hier het startsein voor geeft als hij treffend spreekt over ‘de onzichtbaarheid van het vak’ ter duiding van de presentaties. Inderdaad blijven materialiteit, tactiliteit en tectoniek zowel visueel als verbaal onderbelicht. Irma poneert de stelling dat er juist na de crisis een vraag zal ontstaan naar architecten – en stedenbouwers – die middels hun ontwerpvakmanschap het fysieke ontwerp tot het detailniveau beheersen. Als Huub en Oliver op de verwetenschappelijking van het ontwerp aan beide technische universiteiten wijzen, merkt Irma op dat het traditioneel juist de Academies zijn die architectuur als hedendaags ambacht benaderen.
Ontwerpvakmanschap en crisis
Zonder in te gaan op een exacte interpretatie van ontwerpvakmanschap leiden deze opmerkingen wel een nieuwe vraag in naar de rol van de architect en stedenbouwkundige na de crisis. Zal het na het marktherstel weer ‘business as usual’ zijn of wordt er een andere rol van de ontwerper verlangd? Irma stelt dat de vraag naar architecten en stedenbouwers vooral zal slinken. In die krappere arbeidsmarkt zal vooral gevraagd worden naar beheersing van de kunst van het vakmanschap. De genodigde critici vragen de Academie dan ook in het bijzonder aandacht te besteden aan het ontwerpvakmanschap in het licht van het debat rond de rol van architect en stedenbouwer.
Wordt vervolgd
Dit advies lost echter de onderliggende vraag niet op, zo ben ik van mening. De vraag naar wat het gewenste ontwerpvakmanschap exact inhoudt, of zou moeten inhouden, is immers nog niet beantwoord. Vakmanschap kan zich uiten in modern ambachtschap, maar ook in een kritisch onderzoekende houding die juist in de opdrachtformulering een belangrijke taak ziet weggelegd. Voor de Academie, als participant in het debat, zal het komende jaar interessant en belangrijk worden als het jaar waarin de Academie zowel binnen als buiten haar muren dit debat over de toekomst van het vak en het vakmanschap zal moeten aangaan.
— Jeroen Visschers








