Een kleine indruk van een groter gebeuren
Afstudeerpresentatiedag november 2010
Toen ik op 19 November 2010 even de genoemde zaal binnenging om enkele afstudeerpresentaties te volgen leek de aandacht vooral op de sociale aspecten van architectuur te liggen. De vraag kwam bij mij op of er nog wel eens op de noties en vakmanschap van techniek werd afgestudeerd. Het leek me overigens niet onmogelijk.
Het viel me op dat de studenten aanstuurden op het ontwikkelen van een op te lossen ontwerpprobleem. Begrijpelijk, maar wat was nu het effect van zoveel engagement? De aanvankelijk in overtuigende beelden gevatte thematiek verflauwde immers gaandeweg en bleef slechts aanleiding. Een these, om een prikkelend concept te ontwikkelen, kwam niet echt tot stand.
Mede doordat de voorzitter de agenda van de presentaties met een timer bijhield, volgden de presentaties elkaar snel op. Des te meer viel het op dat de drie presentaties omtrent de thema’s: ‘wonen van daklozen’, ‘stedelijke overgangsgebieden’ en ‘vermaatschappelijking van de school’ eigenlijk op een overeenkomstige wijze werden ondervraagd. Er was natuurlijk wel een inhoudelijk verschil in commentaar, maar de student moest eigenlijk begrijpen dat het oplossen van een helder probleem hoofdzaak was en het ontwerpen van een gebouw of ensemble de afgeleide. Kortom, de vraag naar het hoe, en daarmee impliciet de methode van ontwerpen, stond veelal voorop, wat overeenstemt met de visie van de RAVB om middels ontwerpvaardigheden, ontleend aan de beroepswereld, af te studeren. De vraag bleef in dit kader achterwege hoe de afstudeerder vanuit de aangezette culturele thematiek het ontwerp blijvend van een visie voorzag. Een vraag die een masteropleiding onderscheidt van een bacheloropleiding.
Het commentaar leidde bij de ene ‘critic’ tot de vraag om strikt te kiezen en aldus verwarring te vermijden. Zijn advies kwam dus neer op óf – óf in plaats van én – én. Hiermee ontstond meer de kwestie van het categorisch ontwerpen voor ófwel de vrijgevochten dan wel de gewillige daklozen. De andere ‘critic’ vroeg zich steeds weer af of de afstudeerder al of niet de overtuiging had dat architectuur de wereld kon redden. Hij stelde eigenlijk de schier onmogelijke vraag naar de werking van architectuur. Verwees hij hier naar de vroege jaren ’80, waarin enquêtes of inspraak afwisselden met Tafuri’s kritiek in ‘Ontwerp en utopie’? De derde (vrouwelijke) ‘critic’ beriep zich op de diverse instrumenten en ontwerpvaardigheden van het beroep. Zij maakte steeds duidelijk, het ééns te zijn met voorgaande sprekers en rondde dan af met een stimulans tot nadere uitwerking, want ‘de resultaten waren tot nu toe weinig concreet’. De vierde ‘critic’ moest gezien zijn lichaamstaal een ernstige bijdrage blijken te leveren, maar in vergelijking met de anderen waren zijn opmerkingen, volstrekt onverstaanbaar.
Ik deel overigens het gemeenschappelijk doel van de ‘critic’s, namelijk dat in de kern van de zaak een student op de RAVB op zijn ontwerpvaardigheden moet worden getoetst. Ik leg daartoe mijn accenten in de ontwikkeling naar het eindresultaat echter iets anders. Allereerst zou naar de verdere ontwikkeling van de thematiek moeten worden gevraagd om te bereiken dat een ontwerp meer door een krachtig concept wordt gedragen dan dat het ontwerp rechtstreeks aan de toets van de bouwpraktijk wordt blootgesteld. Dit laatste lijkt me wel relevant, maar daar de RAVB student deze toets reeds in hun dagelijkse werk afleggen zou de thematisering ervan interessanter zijn.
Zo zou vanwege de, althans in de presentatie afwezige, inbedding in de literatuur de verruiming van hun ontwerpproces moeten worden gestimuleerd door het vragen naar c.q. aanreiken van adequate boeken of het kritisch bewerken van paradigma’s. Hiermee wordt de strikt instrumentele toepassing verruimd tot het ondervragen van architectuur op haar culturele vermogens, zodat het beoefenen van reflectie en interpretatie tot visie leidt. Uiteraard kan reflectie ook tot een zelfstandige scriptie leiden, zodat zowel het ontwerp als het schrijven van de afstudeerder op zijn eigen merites kan worden beoordeeld.
- Em. Prof. dr. ir. Gerard van Zeijl
Gerard van Zeijl (1940) studeerde in 1970 af als bouwkundig ingenieur aan de Technische Hogeschool te Delft. Aansluitend werd hij wetenschappelijk medewerker aan de TU/e en doceerde hij vanaf 1974 Architectuurgeschiedenis en Theorie. Hier promoveerde hij in 1990 op de architectuur-tractaten van J.N.L. Durand (1760 - 1834). Hij doceerde jarenlang aan alle Academies van Bouwkunst en van 1992 - 2005 aan de VU Brussel. Vanaf 1993 tot 2005 was hij verbonden als voltijds hoogleraar Architectuurgeschiedenis en Theorie aan de faculteit Bouwkunde en ontwikkelde hij het promotiekader: het ABC van Dichtheid. Gerard van Zeijl publiceerde in uiteenlopende vakbladen, organiseerde architectuur-exposities zoals die over ‘De Eindhovense School’, maakte video-interviews met toonaangevende internationale architecten en theoretici en organiseerde diverse symposia zoals The Quest for Urban Design. Daarnaast heeft hij een eigen architectenbureau QBBF.









