Laboratoriumprogramma 2010-2011

De Wisselwerking tussen Denken en Doen

Architectonisch en stedenbouwkundig ontwerpen is gebaseerd op zowel kennis als vaardigheid. Aan het één heb je zonder het andere maar weinig. Het gaat juist om de wisselwerking tussen denken en doen. Er zijn meerdere strategieën om tot een goed ontwerp te komen. Welke aanpak voor welk probleem het beste werkt, verschilt per situatie, per ontwerpprobleem en per individu.

Het laboratoriumprogramma richt zich op het aanleren van juist dit brede scala aan vaardigheden, technieken en praktische kennis. Het programma is gestructureerd rond drie pijlers: onderzoeken, kennis vergaren en presenteren. Deze oriënteren zich op de verschillende ontwerpfasen. Het overgrote deel van de  laboratoria is expliciet bedoeld voor zowel architectuur- als stedenbouwstudenten. Er wordt in kleine groepen van 12 tot 16 studenten gewerkt waarbij veel aandacht is voor de individuele student. Ook wordt geprobeerd de actuele atelieropgaven zo veel mogelijk als basis te gebruiken.

Ontwerpen gaat niet alleen over het ontwikkelen van ideeën en ruimtelijke concepten, maar ook over het kunnen overbrengen van deze ideeën. Daarom zijn presentatietechnieken een heel belangrijk onderdeel van het laboratoriumprogramma. Een tekening of maquette maakt ontwerpen of ideeën zichtbaar én inzichtelijk. Het zijn óók middelen tot exploratie en communicatie. Niet alleen bij de planpresentatie, maar ook tijdens het ontwerpproces zelf is het belangrijk om ideeën en concepten door tekening en maquettes én met een goed opgebouwd verhaal te kunnen overbrengen om discussie en reflectie te stimuleren. Alleen als anderen begrijpen waarover het gaat, kunnen zij enthousiast over het ontwerp worden. In de presentatielaboratoria komen verschillende technieken aan de orde die bewust ingezet kunnen worden om jouw ideeën zo goed mogelijk te kunnen communiceren.

In de onderzoekslaboratoria komen verschillende onderzoekstechnieken aan de orde. Technieken die een antwoord geven op vragen als “Hoe kom je aan belangrijke informatie?”, “Hoe filter je die informatie?”, “Hoe interpreteer je die gefilterde informatie?” en “Hoe zet je die gefilterde en geïnterpreteerde informatie in binnen het ontwerpproces?”. Daarmee gaat het in deze laboratoria dus om het ontwikkelen van de vaardigheid bewust te kijken, hetgeen zorgt voor een verbreding van het referentiekader dat bij het oplossen van ontwerpproblemen ter beschikking staat.

Een ontwerper moet kennis hebben van techniek en technologieën om deze in te kunnen zetten tijdens het ontwerpproces. Omdat het niet enkel gaat om de kennis, maar vooral ook om de toepassing ervan, komen deze onderwerpen aan bod binnen de disciplinegebonden kennislaboratoria. Deze labs hebben vooral tot doel de horizon te verbreden en te laten zien wat er allemaal mogelijk is.
— Margit Schuster & Robert von der Nahmer