Praktijkdeel
Algemeen
De beroepspraktijk van de studerende werknemer
Opbouw, inhoud en samenstelling
Algemeen
De beroepspraktijk tijdens de opleiding is gericht op de ontwikkeling naar een beroepsuitoefening op een hoger aggregatieniveau met als kenmerken een hoger abstractieniveau van denken en handelen, een hogere mate van complexiteit van de structuur waarbinnen het beroep wordt uitgeoefend, meer regelcapaciteit en afbreukverantwoordelijkheid.
De tijdens de opleiding uitgeoefende beroepswerkzaamheden dienen naast het opdoen van praktijkervaring vooral als opmaat naar het volgende niveau van beroepsuitoefening. Dit geldt bij uitstek voor het ruimtelijk vormgeven, een vaardigheid die slechts via het “learning by doing”-principe onder de knie kan worden gekregen. Een vaardigheid die in de praktijk uitgeoefend wordt in een context die in hoge mate complex is, een verstrengeling en raakvlakken met andere disciplines kent, en waarbij veel partijen betrokken zijn.
Hoe veelzijdig en compleet de kennis, vaardigheden en inzichten ook binnen het aanbod van studietrajecten mogen zijn, de uitoefening van het beroep als architect of stedenbouwkundige en het functioneren in de bouw-, plannings- en uitvoerings-praktijk zal toch voornamelijk in de praktijk zelf geleerd moeten worden.
De studerende werknemer is zelf verantwoordelijk voor een beroepsuitoefening die relevant is voor de opleiding en de fase waarin de opleiding verkeert. De studerende werknemer geeft zelf inhoud aan de opleiding door een zinvolle wisselwerking tussen werk en studie in te richten. Deze vorm van zelfsturing is een wezenlijk onderdeel van de Masteropleiding. Onder begeleiding wordt de studerende werknemer geadviseerd en ondersteund gedurende het totale opleidingstraject door verschillende betrokkenen en op diverse manieren.
De beroepspraktijk van de studerende werknemer
De praktische beroepsuitoefening betreft het toepassen van een behoorlijk veelzijdig en divers geheel aan kennis, inzichten en vaardigheden. De principes, grondslagen en kaders hiervan zijn inhoud van het studiedeel, maar de toepassingen zullen toch vooral in de praktijk zelf geleerd en ge- en beoefend moeten worden. Om van theorie praktijk te maken, zal ervaring opgebouwd moeten worden, zowel in het functioneren in en deelnemen aan het ontwerp- en uitvoeringsproces als in de uitoefening van het beroep. Dat kost tijd en vraagt én om een zekere mate van repetitie van, én een zekere mate van vooruitgang in verschillende maar vergelijkbare taken, werkzaamheden, situaties en condities. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen praktijkervaring, het kennismaken met alle facetten van het planvorming- en uitvoeringsproces (opdrachtverlening, ontwerp, project- en bouwvoorbereiding, uitvoering en algemene zaken als recht en regelgeving, bureauorganisatie en samenwerken, overleggen, onderhandelen enz.), en beroepservaring. Deze ervaring gaat verder dan alleen het kennis nemen van zaken, maar betreft juist het initiëren, ontwikkelen, analyseren, interpreteren van kennis, inzichten en vaardigheden in op de situatie toegesneden gedrag en houding, inclusief de daarbij behorende verantwoordelijkheden. Hoeveel tijd er gemoeid is met het voldoen aan deze leerdoelen, en dus de snelheid waarmee de vereiste beroepsvaardigheden eigen worden gemaakt, is afhankelijk van uiteenlopende factoren als de vooropleiding, het aanvangsniveau in het arbeidsproces, de persoonlijke interesses, inzet en ambities, maar evenzeer van de aard van de werkzaamheden, de kwaliteit van de werkomgeving en de kansen die je geboden worden om te werken en te studeren in het kader van de opleiding. Dat wil zeggen dat niet de volledige betrekkingsomvang tot het buitenschoolse curriculum van de opleiding wordt gerekend, maar slechts het deel dat als leer- en ervaringstraject aangemerkt kan worden en als zodanig te beoordelen is.
De verscheidenheid aan werkkringen impliceert dat de kennis en vaardigheden die studenten opdoen, uiteenloopt. Ook in fasering en volgorde zijn er verschillen. Desalniettemin wordt de studerende werknemer voortdurend duidelijk gemaakt aan welke kwalitatieve criteria hij aan het eind van de opleiding dient te voldoen.
Opbouw, inhoud en samenstelling
In het kader van de eigen loopbaanontwikkeling, geeft de student zelf inhoud aan de opleiding door een zinvolle wisselwerking tussen het studie- en praktijkdeel in te richten. Om dit proces van zelfsturing te ondersteunen wordt hem of haar voortdurend duidelijk gemaakt aan welke kwalitatieve criteria hij/zij aan het eind van de opleiding dient te voldoen en op welke wijze daarbij begeleiding wordt geboden.
Gedurende de opleiding moet er in de werkzaamheden van de student sprake zijn van een waarneembare ontwikkeling op de volgende punten:
- kunnen omgaan met de complexiteit van het ontwerpproces en de onderlinge samenhang tussen de programmatische, technische, esthetische, maatschappelijke en financiële aspecten van de opgave;
- zelfstandigheid in de adequate invulling van de diverse werkzaamheden, zoals planning en de interne contacten met ontwerpers en tekenaars;
- (mede) verantwoordelijk zijn voor de technische, esthetische en financiële kwaliteiten van de gemaakte (deel)ontwerpen en plannen;
- (mede) verantwoordelijk zijn voor de realisatie van projecten;
- (mede) verantwoordelijk zijn m.b.t. externe contacten met opdrachtgevers, instanties en bedrijven;
- (mede) verantwoordelijk zijn voor de (afstemming van) interne bedrijfsprocessen.
Het opdoen van praktijkervaring en ervaring met de beroepuitoefening van architect of stedenbouwkundige betekent kennismaken met alle facetten van het planvormings- en uitvoeringsproces: opdrachtverlening, ontwerp, project- en bouwvoorbereiding, uitvoering en algemene zaken als recht en regelgeving, bureauorganisatie en samenwerken, overleggen, onderhandelen enz.
Praktijkervaring is echter niet hetzelfde als beroepservaring en ‘kennis hebben van’ is zeker ook niet hetzelfde als ‘kunnen’ of ‘beheersen’. Beroepservaring gaat verder en betreft juist het initiëren, ontwikkelen, analyseren, interpreteren van kennis, inzichten en vaardigheden in op de situatie toegesneden gedrag en houding, inclusief de daarbij behorende verantwoordelijkheden. Dit impliceert dat in de begeleiding van de studerende werknemer enerzijds wordt gestuurd op het verhogen van de leervaardigheid van de student en anderzijds op het adviseren in het reflecteren op het eigen functioneren en het sturen en beheersen van de eigen loopbaan, met als uitgangspunt dat de studerende werknemer zelf het initiatief, de keuze, de beslissingsbevoegdheid en de verantwoordelijkheid heeft.
