menu sluiten
zoek terug
terug

Een half jaar werken aan grip op systemen – tussenstand curatorschap stedenbouw

Door Jutta Hinterleitner

Lezing van Carmen José bij Studio Woonweefsel.

 

Mijn curatorschap met de titel ‘Grip op systemen’ is een onderzoek naar hoe je strategisch denken sterker kunt verankeren in het architectuur- en stedenbouwonderwijs. In een tijd waarin vraagstukken complex zijn en het zelf aan verandering onderhevig is – denk aan AI die ons steeds meer taken uit handen neemt – is het voor de ontwerper nóg belangrijker om ontwerpkracht en strategisch denken met elkaar te verbinden. Wie de systemische kant van de vraagstukken waar je als ruimtelijk ontwerper (stedenbouwkundige, architect, landschapsarchitect) aan werkt beter begrijpt, kan beter sturen vanuit een regierol.

Daarnaast is het denken over de stad en hoe deze functioneert, de basis voor ontwerp aan noodzakelijke ingrepen op gebied van o.a. adaptiviteit, rechtvaardigheid of toekomstbestendigheid. In een tijd waar je als je over een vraagstuk nadenkt er vier andere bijkrijgt, is het van groot belang om de onderliggende systemen en mogelijkheden tot sturing te herkennen. Het in kaart brengen en afbakenen van de complexe systemen die invloed hebben op het ontwerp van de leefomgeving, is waar ik de studenten van de RAVB kennis mee wil laten maken. Maar ook met het besef dat er bij een verandering in ruimtelijk denken ook gedrags- en cultuurverandering hoort. Mijn doel is om te ontdekken wat de studenten nodig hebben om systemen te kunnen doorgronden en om een methodiek te ontwikkelen die zij kunnen gebruiken in hun ontwerpen. Ik hoop daarmee het instrumentarium van de stedenbouwkundige te kunnen verrijken.

Tussenstand curatorschap

Mijn werkplan voor de drie jaar die ik als curator Stedenbouw aan de slag ben, voorziet een ‘rondje langs de velden’ langs verschillende ontwerpopgaven, en de verkenning en duiding van verschillende systemische vraagstukken die daaraan raken. Het doel is om de ontwerpruimte te ontdekken binnen de systemen. Hiervoor werk ik langs verschillende lijnen: literatuurstudie, interviews en ontwerpstudio’s die deelopgaven verkennen.

Afbeelding 1: de opzet van het curatorschap: Niet alleen door verschillende systeemlenzen kijken naar ruimtelijke vraagstukken, maar ook onderzoeken hoe gestuurd kan worden op de ruimtelijke inrichting van de stad.

 

Zo stond de studio ‘Woonweefsel – Verdichten zonder slopen’ in het voorjaar van 2026 in het teken van wonen in de bestaande stad. De deelnemende studenten en docenten onderzochten elementen en verbindingen, structuren en gedrag van het systeem rond bestaande bouwblokken en zochten antwoorden op de volgende vragen: Welke mechanismes verhinderen hergebruik van het bestaande? Waarom is het zo moeilijk om – letterlijk en figuurlijk – voort te bouwen op de bestaande waarden en gebouwen? Tijdens het semester dat net is gestart, wordt er in de studio ‘Werk als vliegwiel’ onderzocht welke systemen rond werk in de stad we kunnen ontdekken en hoe we die een plek kunnen geven in toekomstige ontwikkelingen. In dit essay maak ik een tussenstand op uit het onderzoek van afgelopen semester en onderbouw ik deze met de lessen uit de studio.

De definitie van een systeem

Een systeem is een verzameling van dingen – mensen, cellen, moleculen of wat dan ook – die zodanig met elkaar verbonden zijn dat ze na verloop van tijd een eigen gedragspatroon vertonen. Ieder systeem wordt gekarakteriseerd door de elementen waar het uit bestaat, onderlinge verbindingen tussen deze elementen en door een doel. Daarnaast bestaat ieder systeem uit structuur en gedrag – de cultuur van hoe mensen ermee omgaan, en manifesteren systemen zich in de ruimte. Geen enkel systeem heeft een vaste grens, feitelijk is de wereld een groot systemisch continuüm. Het trekken van een grens om een systeem heen is dus afhankelijk van de vraag waarop je een antwoord zoekt, en bepaalt of je ermee kunt werken of kopje ondergaat in de complexiteit en chaos. Systeemdenken in de (steden)bouwkundige context wordt dus gekenmerkt door: 1. Het definiëren van de ontwerpruimte binnen een systeem en 2. Het afbakenen van de grootte/omvang van dit systeem, zodat de stakeholders kunnen worden bepaald.

Afbeelding 2: ingrediënten van een systeem. Afbeelding 3: het definiëren van een denkkader binnen een groter systeem helpt om het hanteerbaar te maken en er binnen een gesteld doel aan te kunnen werken.

 

We weten al veel

Er is al veel nagedacht over systemen in relatie tot stedenbouw, en vaak zijn het metaforen die ons helpen om de systemen zo te framen dat ze begrijpelijk en werkbaar worden: door de stad te beschouwen als een lichaam met een stofwisseling, kunnen we de materiaal- en stofstromen die er in gaan en ook weer uit, beter duiden. In het kader van het lectoraat Future Urban Regions is hier tussen 2013 en 2023 onderzoek naar gedaan en gepubliceerd. Daarnaast heeft de Internationale Architectuurbiënnale Rotterdam in 2014 met de titel Urban by Nature bijgedragen aan de verbeelding hiervan. Publicaties zoals Landschap en Energie (2014) van Dirk Sijmons en Energie & Ruimte van Vereniging Deltametropool (2017) laten het belang zien van ontwerpen aan energienetwerken. Op gebied van economie is de donut van Kate Raworth de metafoor geworden voor een begrenzing van ongebreidelde groei en voor een economisch systeem dat binnen de grenzen van rechtvaardigheid blijft. Verschillende ontwerpbureaus denken momenteel na over ontwerpen met grenzen aan de groei. BURA en Crimson hebben bijvoorbeeld een essay geschreven over de Post-Growth City (2024). Of denk aan het financiële systeem, dat door architect Carlijn Kingma als een fenomenaal waterwerk is afgebeeld, waar het geld doorheen stroomt en processen aandrijft. Meer toegepast werkt het Watertorenberaad aan een ander financieringsmodel, dat over de grenzen van het fysieke en het sociale domein heen door de ontschotting van budgetten werkt aan groter maatschappelijk rendement van investeringen.  

We zien in de huidige tijden van grote en snelle veranderingen dat de ontwerpsector actief bezig is met systeemvraagstukken. Dat is niet nieuw, ontwerpers laten altijd al hun maatschappelijke betrokkenheid zien en gebruiken hun kennis om de wereld niet alleen te begrijpen, maar ook actief te transformeren, zoals Pelzer en Hajer het beschrijven. Het onderzoek ‘Leren van het veld’, waar ik afgelopen jaar aan mee heb gewerkt in opdracht van Platform Ontwerp NL, hield zich exact hiermee bezig. 132 afgeronde ontwerpend onderzoeksprojecten die de afgelopen 10 jaar zijn ontstaan vanuit de ontwerpgemeenschap (inclusief maatschappelijke organisaties en marktpartijen) werden tegen het licht gehouden en geanalyseerd op doelen, middelen, werkmethodieken, schaalniveaus en resultaten. Wat zichtbaar werd was een enorme rijkdom aan denkstappen en ruimtelijke verbeelding rondom systeemveranderingen. Een sprekend voorbeeld is het project Naar een nieuwe Streekarchitectuur van Stichting Bouwtuin, waarin de onderzoekers het natuurlijke systeem van de Gooi- en Vechtstreek analyseerden op reststromen vanuit natuurbeheer. Bijvoorbeeld levert het jaarlijkse beheer van heide plagsel op, dat als substraat voor platte daken gebruikt kan worden. Hout dat vrijkomt uit beheer is vooral Douglas spar, dat kan worden gebruikt voor balken, maar ook eik dat heel geschikt is als kozijnhout. Andere houtsoorten kunnen worden verzaagd tot planken. En schapenwol wordt in dit ontwerp verwerkt in isolatiemateriaal (afbeelding 4). Door met de voorhanden materiaalstromen te gaan ontwerpen, ontstonden visualisaties van streekgebonden woningen (afbeelding 5). Het ontwerpend onderzoek liet zien dat hier 5% van de woningbouwopgave ‘gegroeid’ kon worden zonder er natuur voor op te moeten offeren. Dit project is ook daarom interessant, omdat ontwerpers, in dit geval architecten, buiten de gebaande paden van de bouw zoeken naar een nieuw systeem waarmee zij kunnen ontwerpen en bouwen.

Afbeelding 4 en 5: Het ontwerpend onderzoek Naar een nieuwe streekarchitectuur analyseert het natuurlijke systeem en slaagt erin om de ontwerpruimte die dit systeem biedt, te benutten.
Afbeelding 6: Analyse van de invloed die dit project had: vanuit kennis over de concrete plek konden aanbevelingen worden gedaan voor het systeem, in dit geval het bouwsysteem en de bouwregelgeving. De betrokken gemeenten verankerden de denkwijze in het regionaal woonakkoord.

 

Wonen in de bestaande stad als testcase

In de studio ‘Woonweefsel – Verdichten zonder slopen’ die werd begeleid door de ontwerpdocenten Gabriele Caradonna en Enrico Corvi, stond in het voorjaar van 2026 het systeem van de bestaande wijk centraal: gebouwen, sociale structuren, sturingsmechanismen (elementen en verbindingen, structuren en gedrag). Om de twee woonblokken met eenzijdige woningvoorraad en andere uitdagingen in Rotterdam Zuid te kunnen herontwerpen, moesten de studenten de systemische context ervan leren begrijpen. Wat was er eigenlijk aan de hand?

De uitdaging was om de bestaande structuren zo veel mogelijk te behouden, inclusief de sociale netwerken die zij huisvesten. Initiatieven als HouseEurope! pleiten al langer voor dat denken vanuit het bestaande. De zoektocht van de studenten werd gevoed door gastcolleges, bijvoorbeeld door de optopregisseurs van de gemeente Rotterdam Yvonne Rijpers en Cas Vercruysse. Zij vertelden over het programma waarmee de gemeente probeert om knelpunten rond optoppen van de bestaande voorraad op te lossen. Denk aan parkeren voor extra toegevoegde woningen en het grondbeleid dat erin voorziet dat voor iedere toegevoegde woning een financiële afdracht moet worden gedaan aan de gemeente. Om optoppen op grotere schaal mogelijk te maken, is het bijvoorbeeld nodig om onderbouwd te mogen afwijken van de parkeernorm en om financiële afdrachten ten goede te laten komen aan de desbetreffende projecten. Maar: de veranderpunten identificeren en het systeem met de bijbehorende processtappen veranderen, zijn twee verschillende dingen.

Hoe gemeenten werken heb ik parallel aan de studio verkend in gesprekken met Andreas Trisko (hoofd planning, gemeente Wenen), Hanneke Kijne (stadsbouwmeester Haarlem) en Tako Postma (stadsbouwmeester Delft). Hoe krijg je grote, logge organisaties in beweging? Dat lijkt nog niet zo eenvoudig. Een gemeente is een juridische entiteit, die maatschappelijke doelen bewaakt en daarvoor een groot arsenaal aan regels heeft, en heel veel verschillende, gespecialiseerde afdelingen. Het samenwerken op het niveau van de stedenbouw waar alles bij elkaar komt, en het aan elkaar koppelen van alle verschillende deelopgaven en -belangen is voor een gemeente vaak moeilijk. Een gemeente werkt niet per definitie gebiedsgericht, zelfs te vaak helemaal niet. Dit integrale denken en werken kan dus worden ingebracht door ambtenaren met nieuwe rollen – bijvoorbeeld de ‘optopregisseur’, maar ook door (externe) ontwerpbureaus, die in het kader van stedenbouwkundige opdrachten vraagstukken tussen de gemeentelijke afdelingen kunnen verbinden vanuit een grotere afstand tot ingesleten regels en procedures.

Hoe nieuwe vormen van samenwerking in de praktijk ontstaan, en daarmee nieuw gedrag binnen systemen, liet Reimar von Meding van KAW zien tijdens zijn gastcollege in april. Hij werkt met zijn bureau in en aan naoorlogse wijken, waar 70% van alle Nederlanders wonen: krimpgebieden, aangezien de bewonersdichtheid alsmaar afneemt door de verdunning van de huishoudens. Hier liggen zo veel kansen voor verdichting, dat KAW de 10 nieuwe steden van minister-president Jetten binnen de naoorlogse wijken kwijt denkt te kunnen. In de praktijk laat KAW zien dat er samen met woningcorporaties, gemeenten en ontwikkelaars met succes aan de verdichting, differentiatie en verbetering van bestaande wijken gewerkt kan worden: namelijk door woningen toe te voegen en zo de businesscase rond te rekenen die het mogelijk maakt om bestaande woningen niet alleen te differentiëren maar ook te verduurzamen.

Dat belangen ook in de uitvoerende bouwpraktijk kunnen matchen en tot vernieuwing kunnen leiden, vertelde Remko Zuidema van Briq in een gastlezing. Hij nam de studenten mee in de principes van Open bouwen, oftewel de drager en inbouw-methode die John Habraken al in de jaren ’60 van de vorige eeuw propageerde. Door gebouwen anders te structureren kunnen verschillende elementen (de installaties of de complete inbouw) vervangen worden zonder dat het geheel afgebroken hoeft te worden. Dit komt de levensduur van de gebouwen ten goede, want het casco kan eeuwig mee.c

Elisabeth Boersma, voormalig gebiedsontwikkelaar en nu directeur van Renovatieplatform NRP, maakte de koppeling tussen de fysieke en de sociale componenten binnen het systeem inzichtelijk. Op het moment dat een gebiedsontwikkelaar de tijd neemt om nauwkeurig en met geduld te kijken naar een plek en het sociale weefsel dat daar bestaat, komen er kansen aan het licht: lokale jongeren die in een opleidingstraject willen stappen om mee te leren bouwen aan de transformatie van een school tot buurtcentrum bijvoorbeeld. Of het vormen van een community, die samen een klusflat in de Bijlmer moet gaan transformeren tot een toekomstbestendig thuis voor heel veel mensen. Ook hier werd zichtbaar dat zodra je het systeem gaat begrijpen, je ruimte kunt geven aan verbindingen, relaties en initiatief van mensen.

De toets in de studiopraktijk

Het viel de 14 studenten die deelnamen aan de studio Woonweefsel niet mee om de systemen te doorgronden die de toekomst en het functioneren van de beide stadsblokken in Charlois en Tarwewijk beïnvloeden. De veelheid van thema’s, actoren en schaalniveaus waarop vraagstukken speelden, maakte de opgave en het denkproces complex. Wat hielp is om te gaan kaderen, afbakenen en te kiezen voor een deelprobleem en daarmee een duidelijke focus. Instrumenten die daarbij hielpen waren bijvoorbeeld een belangen-invloed-matrix – wie heeft er belangen, wie heeft invloed en welke partijen hebben (geen van) beide? Daardoor gingen de studenten vragen stellen over de positie van de partijen in hun onderzoeksgebied: Wie zijn er actief? Wie wil je een steuntje in de rug geven door je ontwerpinterventie? Wie heeft de teugels in handen? (Afbeelding 7).

Afbeelding 7: Het doel van Sytse Pot was om een multigenerationele wooncoöperatie in te richten die verschillende bouwblokken met elkaar verbindt in de wijk Charlois. Door te onderzoeken wie er belang heeft bij het plan of er tegen zou kunnen zijn, en wie er macht heeft op welk vlak, wordt inzichtelijk met wie je om tafel moet in welke projectfase.

 

Ook de tijdlijnen die getekend werden (zie als voorbeeld afbeelding 8), hielpen bij het ontrafelen van de complexiteit. Door simpelweg na te denken wie je op welk moment in het proces zou moeten bellen en aan boord halen, werd steeds duidelijker wie de partners van een gewenste ontwikkeling zouden zijn. Zo kwam Frederique Lenssen erachter dat de bedrijven in de haven betrokken zouden moeten worden bij haar concept ‘Makershaven’, waar kunstenaars en tijdelijke havenarbeiders elkaar zouden kunnen vinden in een leefstijl die gekenmerkt is door de handen uit de mouwen steken.

Afbeelding 8: Door een dag in het leven van een kunstenaar te verbeelden en daar de dag van de havenarbeider tegenover te zetten, maakte Frederique Lenssen duidelijk waar deze beide groepen elkaar tegenkomen gedurende de dag en waar de kansen liggen voor interactie en actief samenleven.

 

Een andere vorm van tijdlijn uit het plan van Saskia Nauta voor het blok in Tarwewijk liet zien hoe een blok met veel kleine en weinig slagkrachtige VVE’s zou kunnen worden getransformeerd tot een samenwerking van enkele ‘superVVE’s’. Deze zouden er wel in kunnen slagen het blok duurzaam te transformeren. In dit plan wordt het blok verdicht en opgetopt, en kan met het geld dat dat oplevert, de bestaande woningvoorraad worden verbeterd.

Afbeelding 9: door te analyseren hoe de verschillende VVE’s kunnen worden verenigd, ontstaat een visie op een slagkrachtige renovatie en differentiatie van de woningen, en wordt een toekomstbestendig blok gecreëerd.

 

Eerste conclusies en doorkijk

Denken in systemen is niet altijd even makkelijk, maar helpt wel om denkkaders te trekken waarbinnen je als stedenbouwkundige kunt werken. Waarmee je grip kunt krijgen op het juiste stukje van de complexe puzzel, nieuwe dwarsverbanden kunt ontdekken en gebruiken in een ontwerp. Instrumenten zoals de stakeholderanalyse, tijdlijnen maar ook kennis over financieringsstromen helpen hierbij. Wie weet welke spelers aan boord gehaald moeten worden en hoe zij denken en investeren, heeft strategische invloed, en dus ook ontwerpruimte. Maar welke beeldtaal helpt om systeemdenken werkbaar te maken voor de stedenbouwkundige? Welke onderzoeks- en werkvormen zijn bruikbaar?

De komende tijd ga ik verder met het zoeken van antwoorden op deze en andere vragen. Dit doe ik langs een aantal werklijnen: het verzamelen van bestaande kennis, onder andere via interviews met vooraanstaande systeemdenkers, om daar een collegereeks omheen te bouwen; het opstarten van een begeleidingsteam dat mij helpt de horizon te verruimen in mijn onderzoek; het testen van werkvormen in de ontwerpstudio’s van de RAVB. Dit allemaal met het doel om tools, voorbeelden en ruimtelijke componenten van systeemdenken te verzamelen en daarmee de aankomende stedenbouwkundigen beter te positioneren voor de uitdagingen van nu.

 

Bronnen

BURA, Crimson (2024): Post Growth City

Boomen, T. van den, Frijters, E., Assen, S. van & Broekman, M. (red.) (2017): Stedelijke vraagstukken, veerkrachtige oplossingen: Ontwerpend onderzoek voor de toekomst van stedelijke regio’s. Trancity Valiz

Dooghe, D., Frijters, E., Edens, C., Ponte, M., Van Spaandonk, T., De Vries, C., & van Zwieten, J. (2023). The city as a system. Trancity Valiz

Meadows, D. (2008), Denken in systemen. Uitgeverij Ten Have.
Hajer, M. A., & Pelzer, P. (2018). 2050—An Energetic Odyssey: Understanding ‘Techniques of Futuring’ in the transition towards renewable energy. Energy research & social science, 44, 222-231.

Hinterleitner, J., Vervloesem, E., Valk, J., De Voogt, D. (2026): De Gids – Ontwerpen aan onze toekomst. Platform Ontwerp NL

Onder planologen #16, Systeemdenken, podcast (28 juli 2026)

Raworth, K. (2018). Doughnut Economics. Penguin.

Rittel, H. W., & Webber, M. M. (1973). Dilemmas in a general theory of planning. Policy sciences, 4(2), 155-169.

Sijmons, D. e.a. (2014). Landschap en energie: ontwerpen voor transitie. nai010 uitgevers.

Vereniging Deltametropool e.a. (2017). Energie en ruimte: een nationaal perspectief.

Watertorenberaad (2023): Samen slim