De Meester

De Meester

In 2015 heeft de Fleur Groenendijk Foundation een jaarlijks uit te reiken promotieprijs in het leven geroepen met de naam ‘De Meester’. Voor deze prijs komen alleen afgestudeerden van de Rotterdamse Academie van Bouwkunst in aanmerking.  De prijs van € 5.000 dient ter ondersteuning en bevordering van de promotie van het werk van de jonge architect of stedenbouwer.

Jaarlijks worden drie afstudeerprojecten genomineerd door een onafhankelijke jury. De genomineerde kandidaten presenteren tijdens ‘De avond van De Meester’, met een feestelijk publiek toegankelijk programma, hun projecten nog één maal met overtuiging aan het publiek en de jury. De juryleden reageren ter plekke op de presentaties en maken diezelfde avond de winnaar nog bekend.

De eerste winnaar van ‘De Meester’ was Ruben Sannen (Architectuur) met zijn afstudeerproject ‘Tanah Antara’. Zijn opvolgers waren Alex de Jong (Stedenbouw) met zijn project ‘Water vernieuwt! in 2016, Jurgen ten Hoeve (Architectuur) met ‘Stadsklooster Rotterdam’ in 2017 en Bram van Ooijen (Stedenbouw) met ‘wihdaTopia’ in 2018.

Voor De Meester 2019 zijn Ruud van Leeuwen (Stedenbouw), met van Hammerbrook naar Hammerstadt, Mikolai Brus (Architectuur), met Verticale Buurtstraat, en Dirk Hovens (Architectuur), met Shakespeare Terminal, genomineerd. Zij zullen hun project pitchen tijdens De Avond van De Meester in HNI op woensdag 30 oktober. Daarna zal de jury de winnaar bekend maken.

De Fleur Groenendijk Foundation bestaat sinds 1997 en stimuleert Rotterdamse jongeren bij hun opleiding en vorming op het terrein van architectuur. Architectuur in brede zin van het woord, ook in relatie tot kunst, cultuur en wetenschap.

 

Foto’s: Rhalda Jansen

Ruud van Leeuwen I Van Hammerbrook naar Hammerstadt
Nominatie De Meester 2019 I Masteropleiding Stedenbouw
afstudeermentor: Pieter Jannink

Stel je een wijk voor waar wonen en werken hand in hand gaan. Waar duurzame mobiliteitssystemen worden ingezet. Een wijk die symbool staat voor decentrale afvalverwerking als integraal onderdeel van het stedelijk leven. Te mooi om waar te zijn?

Van Hammerbrook naar Hammerstadt is een strategie voor de transformatie van een binnenstedelijke industriewijk naar een diverse, dichte en levendige stadswijk. De verdichtingsopgave van Hamburg wordt aangegrepen om het bestaande raamwerk van kanalen en stadsstraten uit te bouwen en te versterken. Binnen dit raamwerk nestelt zich het nieuwe Hamburgse bouwblok dat model staat voor een toekomst- en klimaatbestendige wijk. Wat is er nodig om ontwikkelingen op gang te krijgen en private investeringen te ontlokken?

Naast de transformatie van het bouwblok worden twee grote stadsprojecten geïntroduceerd die ontwikkelingen in de wijk aanjagen en Hammerstadt sterk verbinden met de omliggende stadsdelen. Het Stroompark is het visitekaartje van Hammerstadt. In een openbare parkruimte wordt de verwerking van reststromen zicht- en beleefbaar gemaakt en gekoppeld aan het stedelijk leven in de wijk. Het Stroompark heft barrières op en vormt een belangrijk koppelstuk in de verbinding tussen Hammerstadt en het centrum van Hamburg. De kansen voor een prachtig waterfront voor Hammerstadt liggen voor het oprapen. Het Oeverpark wordt het nieuwe gezicht van Hammerstadt aan de rivier de Bille. De groene oevers worden gecontinueerd
waardoor de wijk direct met het open landschap wordt verbonden. Het oeverpark draagt bij aan de ecologie, biodiversiteit en waterkwaliteit van de wijk en versterkt de verblijfskwaliteit.

Sluiten
Mikolai Brus I Verticale buurtstraat
Nominatie De Meester 2019 I Masteropleiding Architectuur
afstudeermentor: Thijs van Spaandonk

De toekomst van de stad ligt in de stad zelf. Vandaag de dag, anno 2019, woont al meer dan 55 procent van de wereldbevolking in de stad. Dit zal in 2050 stijgen naar meer dan 70 procent. Ook voor Rotterdam ligt er een verdichtingsopgave. Deze verdichtingsopgave wordt op dit moment voornamelijk opgelost door een eenzijdig vorm van bouwen: monotone, grote en hoge volumes, bestaande uit gestapelde plattegronden. Daardoor ontstaat er een eentonige bebouwing wat aan de basis ligt van een eenzijdige samenleving. Dit is slecht voor de stedelijke performance op straat. 

Rotterdam heeft niet alleen hoogbouw nodig! Hoogbouw wordt vooral gedicteerd door de ambities van de gemeente en de ontwikkelaars. Hierdoor bepalen zij hoe de mensen moeten wonen in de stad en niet de mensen zelf. Door deze manier van bouwen, waarin de ontmoetingen en verbindingen niet worden gefaciliteerd, ontstaat er een sociaal isolement. Voor de toekomst is een duurzame samenleving nodig.

Mijn afstudeerproject, ‘Verticale buurtstraat’, combineert het sociaal metabolisme in het gebouw, de verdichtingsopgave in de stad en de stedelijke performance in en rond het gebouw. De ambitie is om een alternatief te bieden voor de verdichtingsopgave van de toekomst. Die ambitie wordt verwezenlijkt door niet alleen maar te stapelen met eenzijdige woningplattegronden, wat een sociaal isolement creëert voor de bewoners van deze torens, maar juist door de mens en de buurtgemeenschap centraal te zetten. Het doel is om een verdichtingsvorm te ontwerpen die sociale interactie en ontmoetingen stimuleert en faciliteert.

Het programma staat centraal bij het vormen van de buurt. Het programma wordt zo samengesteld en georganiseerd dat de buurt goed kan functioneren als een collectief. De buurtgemeenschap zelf moet bestaan uit een mix van bewoners, in leeftijden, afkomst etc. Op die manier ontstaat er een goede sociale en duurzame buurtgemeenschap.

Het project begint met het onderzoeken en analyseren van voorbeeldprojecten waarbij de gemeenschap centraal staat. Uit het onderzoek heb ik elementen gedistilleerd die de basis vormen voor mijn ontwerp. Er zijn twee elementen die de hoofdlijn voor het concept vormen: de buurt als gemeenschap en de straat als verbindend element. Deze combinatie resulteert in een meerwaarde voor de bewoners en de omwonenden van het gebouw. Ontmoeten en samen komen staan centraal in het ontwerp.

Concreet is het project een antwoord op de verdichtingsopgave in Rotterdam. Ik heb een gebouw ontworpen dat alle functies faciliteert voor een sociaal programma. Door dit gebouw met het concept van een sociale buurtgemeenschap te verweven, is een multi-mixed programma gecreëerd dat geduurde de dag, de week en het jaar optimaal wordt gebruikt.

Sluiten
Dirk Hovens I Shakespeare Terminal
Nominatie De Meester 2019 I Masteropleiding Architectuur
afstudeermentor: Francesco Veenstra

Het kanaaltunnel-station vormt het eindpunt van de reis. Het is gelegen in een rijke context en vormt het sluitstuk van het grootste bouwwerk ter wereld, de enige fysieke verbinding tussen Groot-Brittannië en het continent. Echter, toch voelde deze plaats onbeduidend. De plaats van vertrek en aankomst is nu een Non-Place, een afstandelijke ruimte zonder ambiance of enig verblijfscomfort. De contradictie tussen de Non-Place en de betekenis van het stationsgebouw als gebouwtype, het wachtmoment, de context en de transitie naar een andere context vormde de voedingsbodem voor mijn fascinatie voor deze gebouwen.

De utilitaire werking vormt normaliter vrijwel altijd de grondslag van het plan voor stations. Dit leidt tot functioneel goed werkende gebouwen waartoe de gebruiker zich slecht kan verhouden. Het project onderzoekt hoe en of een terminal gemaakt kan worden die niet abstract en afstandelijk is. Niet zozeer door meer verblijfscomfort te maken, maar door te breken met het generieke karakter en de betekenisloosheid van het gebouw. Het uitbannen van de Non-Place en het maken van een betekenisvolle plaats voor de reiziger is dan ook het primaire doel. Het project tracht dit te doen door een gebouw te creëren met een specifieke identiteit gebonden aan de plaats. Daarnaast poneert het project dat in de snelle transitie tijdens de reis naar en door de Kanaaltunnel, de terminal de “plaats” van stilstand moet vormen; in de zone tussen de douanes van de twee landen is de reiziger genoodzaakt haar snelle verplaatsing een moment te staken. Dit staat in schril contract met de meeste hedendaagse stations en terminals, waar de reiziger in een voortdurende drift gehouden. Vastberaden het moment om te zetten in kapitaal worden stations vol geprogrammeerd met een veelheid aan winkels. In dit plan zijn de generieke winkels, die de reizigers in een voortdurende drift houden, uit de terminal verbannen. De plaats van vertrek en aankomst zou gewijd moeten zijn aan het moment van tijdelijk verblijf en de indruk op zijn gebruikers.

Het station is in segmenten ingepast in de verschillende contexten van de routing naar de trein, waardoor men telkens, gebonden aan de plaats en bestaande context, een nieuw deel van het station, de verbinding en de kanaaltunnel ervaart. Het stationsontwerp legt de ondergrondse wereld van de kanaaltunnel bloot die tot dusver verborgen was voor de gebruiker. Op hoofdlijnen is het station te verdelen in vier onderdelen. De entree met Britse douane, het vaste programma van het terminalhotel, het terminal-progamma en de afdaling naar en door de tunnels, eindigend bij het vertrekpunt bij de trein. De entree bevindt zich nog in de Britse context en verwijst in symbolische en directe zin naar zijn contextuele omgeving. Het neutrale gebied achter de douane is de plaats waar het verblijf zich hoofdzakelijk afspeelt. Omdat stations vaak weinig ruimte bieden voor de intieme aspecten van het verblijf, is gekeken naar publieke functies als referentie. Het park is zo'n publieke functie. Voor de organisatie van het programma, de paviljoens en de routing die ze verbindt zijn twee landschappelijke organisatieprincipes gebruikt. Het stationsprogramma is volgens traditie van de Franse tuin geordend als geometrisch grid, waarbij op de kruispunten de Franse paviljoens zijn geplaatst. Zij vormen de toegang tot het ondergrondse station en Frankrijk. Het terminalhotel is, volgens de Britse tuintraditie, dwalend en gaat langs de Britse paviljoens in een aldoor circulerende routing over het eiland.

Sluiten
Bram van Ooijen I wihdaTopia
nominatie Archiprix NL 2019 I De Meester 2018 I master stedenbouw
mentor: Martin Aarts

Vluchtelingenkampen zijn de steden van morgen

De vluchtelingencrisis van de eenentwintigste eeuw is een stedelijk probleem: er leven op het moment meer vluchtelingen in steden dan in kampen. In tegenstelling tot kampen bieden steden vluchtelingen kansen en uitzicht op een toekomst. Daarmee verplaatst het humanitaire probleem en de huisvestingsopgave zich van een niemandsland naar de bestaande leefomgeving. Hoe gaan we om met deze nieuwe realiteit?

Invloedrijke geschriften benadrukken in zijn algemeenheid de tekortkomingen en de uitzonderingspositie van vluchtelingenkampen. Kamp en stad zijn vaak met elkaar vergeleken. Waar de stad de normaliteit vertegenwoordigt, wordt het kamp afgeschilderd als de plek van verharde nationale identiteiten en ideologieën of, omgekeerd, als een plaats van opsluiting voor geopolitieke slachtoffers. Deze vooringenomen stelling kan ertoe leiden dat de ingewikkelde sociale relaties, die vluchtelingen met de stad kunnen ontwikkelen, over het hoofd worden gezien.

Als we de complexiteit van vluchtelingenkampen beter willen leren begrijpen, moeten we afzien van het benadrukken van de verschillen en op zoek gaan naar de overeenkomsten tussen kamp en stad. Sterker nog, de redenering moet zich niet beperken tot de discussie of vluchtelingenkampen het best gedefinieerd kunnen worden in termen van nabijheid en openheid, maar bepleiten hoe deze dimensies uiteindelijk met elkaar verbonden kunnen zijn. Van daaruit kan het vluchtelingenkamp zich vanuit de uitzonderingstoestand, via een heterotopische tussenfase, ontwikkelen tot een inclusieve stadswijk.

Wihdatopia onderzoekt de dubbelzinnige relatie tussen kamp en stad door een praktijkvoorbeeld te
bestuderen. Het gaat dan om het vluchtelingkamp Al Wihdat, een 60 jaar oude, Palestijnse vluchtelingennederzetting, die anno 2017 nog steeds afhankelijk is van internationale hulpverlening, en Amman, de hoofdstad van Jordanië. Welke lessen kunnen we leren van dit stedelijk vluchtelingenkamp? Als de realiteit van het hulpverleningsvraagstuk een stedelijk probleem is, hoe ziet de toekomst van deze plek er dan uit?

Sluiten
Nina van Osta I Beauty of the Grey
nominatie De Meester 2018 I master architectuur
mentor: Annemariken Hilberink

De betekenis van een woning wordt vooral duidelijk voor ouderen die vanwege fysieke of mentale beperkingen hun leefwereld zien veranderen. Voor hen is het des te belangrijk dat hun woning aanvoelt als een thuis en is ingericht op hun zorgbehoefte. Daarnaast vraagt de overheid ons om anders dan de afgelopen decennia om te gaan met de manier waarop ouderenzorg is georganiseerd. Dit heeft voor veel ouderen als consequentie dat zij noodgedwongen in een woning moeten blijven wonen die voor hen ongeschikt is. Ook bestaat het gevaar van vereenzaming.

Als reactie op de hervorming van de welvaartsstaat en het proces van vergrijzing pleit dit project voor meer informeel georganiseerde verbanden die zijn geïntegreerd in de wijk. Met dit project tracht Nina van Osta een prettige en veilige woonomgeving te creëren waar ouderen zo zelfstandig en actief mogelijk hun leven kunnen leiden en waarbij zorgfaciliteiten, activiteiten en sociale relaties binnen handbereik zijn.

Nina van Osta wil graag denken vanuit het concept dat de oudere, ondanks zijn beperkingen, zijn eigen zelfstandigheid en autonomie weet te behouden in de organisatie van het dagelijks leven. In dit plan gaat het daarom enerzijds om het stimuleren van de zelfredzaamheid van de bewoner en anderzijds om de kracht van het collectief. De nadruk ligt hierbij niet op zorg maar op wonen: een manier van wonen die sociale interactie stimuleert en waarbij nabijheid en kleinschaligheid belangrijke onderdelen vormen.

Bewoners wonen zoveel mogelijk op een manier die voor hen prettig en herkenbaar is en doen zoveel mogelijk naar eigen kunnen. Ze zijn niet gebonden aan het dagritme of de roosters van zorgverleners. Op een centraal punt in het plan is een kleine zusterpost aanwezig. Het zorgpersoneel ondersteunt de ouderen in dagelijkse handelingen die hen minder goed af gaan. Het gaat hierbij om ouderen die (nog) geen zware ambulante zorg nodig hebben.

Het wooncollectief, dat zich bevindt in de Provenierswijk in Rotterdam, bestaat uit een schakering van vijf woonclusters, met in totaal 24 woningen. Elk wooncluster is samengesteld uit maximaal negen wooneenheden. De clusters zijn bewust klein gehouden om een hoge mate van herkenbaarheid en sociale veiligheid te garanderen. De woningen zijn zowel georiënteerd op de straat als op een verhoogd middengebied. Collectieve functies, zoals een Grand Café, een werkplaats en gemeenschappelijke dakterrassen, dienen als katalysator van het nieuwe sociale netwerk en als verlengstuk van het privédomein. De verschillende typen buitenruimtes die in het project worden geïntroduceerd, zijn bedoeld om de bewoners aan te zetten tot beweging en activiteit. Er kunnen spellen plaatsvinden op het verhoogd middengebied, er kan getuinierd worden op de dakterrassen en de centrale toren biedt een bijzonder overzicht over de wijk.

In het ontwerp is extra aandacht besteed aan het inbrengen van een menselijke schaal en het ‘ontwerpen’ van ontmoetingen tussen bewoners en wijkbewoners. Voelbare overgangen tussen gemeenschappelijkheid en privacy zijn waarneembaar, zowel in ruimte en functie als in licht en materiaal.

Sluiten
Jurian Voets I Intense Stad Oude Westen
nominatie De Meester 2018 I master stedenbouw
mentor: Ivar Branderhorst

Pleidooi voor zorgvuldige verdichting van vooroorlogse stadswijken

De Rotterdamse centrumwijk Oude Westen is door metropolitane vraagstukken en de complexe vooroorlogse structuur een logisch transformatiegebied voor verdichting. Dit afstudeerproject vormt een alternatief voor de ‘Woonvisie 2030’, waar de gemeente gentrificatie toepast zonder visie te tonen op passende stedelijke woonvormen voor bestaande én toekomstige wijkbewoners. Sinds de wederopbouw doen anti-stedelijke moderne idealen afbreuk aan de straatdynamiek. Herstel is nodig van de Intense Stad; het domein waar samenleven en ontmoeting centraal staan. In dit domein leidt de hoge dichtheid en diversiteit van mensen tot specialisatie, een rijk voorzieningenniveau en daardoor tot een gezonde lokale economie.

Stadsbuurten wereldwijd zijn onderzocht om verbanden te leggen tussen opbouw, dichtheid en voorzieningenpatronen. Met een nieuwe methode zijn de voorzieningenniveaus te vergelijken door middel van het ‘GNI’ (Groundfloor Non-residential Index). Ook is typologisch onderzoek verricht naar compacte woonvormen die als bouwstenen dienen voor de Intense Stad. Daarnaast is wijkonderzoek gebundeld in de ‘Atlas Oude Westen’, waarin vijf typen interventies op basis van gecombineerde gegevens worden onderbouwd. Twee typen interventies zijn in het ontwerpend onderzoek verder uitgewerkt.

Essentieel in deze visie is de verweving van het Oude Westen met de binnenstad en de wijk Middelland. Dat gebeurt door de introductie van een nieuwe voetgangersroute, die voortbouwt op bestaande stadsvernieuwingsdoorbraken, met een schakeling van buurtparken en woonstegen. Daarmee ontstaat een ander type verbinding in de luwte van de stadstraten. Door een slimme fasering in verplaatsing van programma ontstaat ruimte voor compacte scholen en nieuwe bouwgrond. Stenige doorbraken worden groene woonstegen voor diverse woongroepen, waar voetgangers en spelen centraal staan. De buurtbewoners delen ruimtes zoals dakterras, garage en binnentuin, maar krijgen hier een hogere kwaliteit leefomgeving en sociale binding onderling voor terug. Daarmee leent deze woonvorm zich ook goed voor stadsgezinnen.

Middelhoogbouw geeft buurtparken een gezicht én oriëntatie binnen de wijk. De compacte betaalbare woningen hebben collectieve voorzieningen in de plint die zorgen voor interactie op straatniveau. Op termijn is ruimte voor twee keer zoveel inwoners. Wonen en leven met meer kwaliteit, meer voorzieningen en zonder uitplaatsing van de huidige bewoners. De Intense Stad vormt hiermee een voorbeeld hoe zorgvuldig verdicht kan worden in vooroorlogse wijken buiten de brandgrens.

Sluiten
Ben Wegdam l Nieuwe energie Twente
nominatie Archiprix NL 2018 l nominatie De Meester 2017 l Master Stedenbouw
mentor: Sander Lap

De opwarming van de aarde tot ruim onder de 2 graden beperken. Dat spraken 195 landen afgelopen jaar af in het klimaatakkoord van Parijs. De doelstelling van dit klimaatverdrag voor 2050 is dat wereldwijd de CO2 uitstoot met 80 tot 95% ten opzichte van 1990 wordt gereduceerd. Dit betekend dat we over moeten stappen van fossiele naar duurzame en hernieuwbare energiebronnen, de energievraag beperken en/of de uitstoot van CO2 afvangen en opslaan. Bij het afstappen van fossiele energiebronnen en overschakeling naar duurzame en hernieuwbare bronnen, betekent dat de geconsumeerde energie lokaal geproduceerd moet gaan worden.

Nederland heeft samen met meer dan 40 landelijke instellingen het energieakkoord ondertekend om de Europese doelstelling te halen. Het opschalen van hernieuwbare energieopwekking vormt een belangrijke pijler van dit Energieakkoord. Het is aan de verschillende stedelijke regio’s om hier verdere invulling aan te geven hoe deze doelstellingen behaald worden, Europa stuurt aan op de innovatiekracht die in de stedelijke regio’s liggen. De visie van de Rijksoverheid ten aanzien van de Nederlandse ruimtelijke ordening sluit aan bij deze Europese gedachte. Met name de regio krijgt hierin een steeds belangrijkere taak om de transitie van conventionele naar hernieuwbare e energie te leiden en lokale initiatieven te ondersteunen en faciliteren, maar hoe komt dit eruit te zien?

We kunnen vandaag de dag woningen energieneutraal maken, kleine landelijke gemeenschappen in haar eigen energie voorzien, maar voor een stedelijke regio’s is dit nog de vraag hoe we dit op gaan lossen. Dit is dus de logische vervolgstap in de omschakeling naar en opschaling van een hernieuwbare energievoorziening. Onze energievoorziening zal dus steeds meer onderdeel worden van onze directe leefomgeving, maar de weerstand in de gemeenschap voor plaatsing van grootschalige energieprojecten op het vaste land is vaak nog groot, ondanks dat dit echt nodig is om de doelstelling voor 2050 te kunnen behalen.

Voor mijn afstudeeropgave heb ik de regio Twente als casus genomen. Twente is niet zomaar een perifere landelijke regio, maar is ook een regio die exemplarisch  is voor Nederland. Het landgebruik (verhouding stedelijk en landelijk gebied), inwonerdichtheid en energiegebruik van Twente is vergelijkbaar met het landelijk niveau.  Daarbij heb mijzelf de opgave gesteld hoe Twente er mogelijk uit kan komen te zien in 2050 wanneer zij 100% zelfvoorzienend is in haar eigen energievoorziening. Dit afstudeerproject laat niet alleen goed zien welke zware opgave Twente  staat te wachten, maar dus ook de belangrijkste opgave voor Nederland voor de komende 35 jaar. Hoe ziet onze toekomstige energievoorziening eruit en wat de impact s op de stedelijke regio’s en landschap? Hoe zal het landschap / landelijk gebied gaan veranderen? Welke ingrepen zijn er nodig op welk niveau. Dit zijn een aantal vragen die ik bij deze afstudeeropgave heb proberen te beantwoorden in een toekomstvisie voor Twente 2050.

Sluiten
Maarten de Haas l In navolging van het voorafgaande
winnaar Archiprix International 2019 I nominatie Archiprix 2018 l nominatie De Meester 2017 l Master Architectuur
mentor: Rien Korteknie

Naast de stofzuiger in de meterkast hangt dan de modem. Voor velen het enige fysieke element van het internet. Het punt waar jij je alleen druk om hoeft te maken. De wifi-verbinding vis je zo uit de lucht en je bestanden, e-mails en foto’s sla je met hetzelfde gemak op in een cloud.

Het achterliggende systeem wat dit allemaal mogelijk maakt is verborgen onder het straatniveau en gehuisvest in gigantische datacenters ergens midden in het landschap. Wanneer je de gemakzucht weet te overwinnen en je je afvraagt waar precies je bestanden cq. gegevens zijn opgeslagen, vind je die zekerheid niet.

In de replica van de echte wereld zijn mensen 24 uur per dag en 7 dagen per week bezig het internet draaiende te houden en jouw te dienen. In die zin leeft men daar in de schaduw van hun werk.

Aan het blinkende en onverweerbare datacentre in het centrum van Rotterdam zit een kleine dienstwoning vast waar de conciërge woont zodat hij bij calamiteiten binnen enkele seconden aanwezig kan zijn om ze op te lossen. De dienstwoning van het datacenter bevind zich exact op scheidslijn tussen de geheime binnenwereld van het datacentre en de gemeenschappelijke buitenwereld samen met de romantiek in zijn hoofd. Waar de conciërge met zijn handen leunend op de vensterbank naar de voorbij rijdende trein staart zonder hem te zien, ergerend hij zich aan de houten kozijnen die opnieuw een verflaag nodig hebben.

Sluiten
Jurgen ten Hoeve l Stadsklooster Rotterdam
De Meester 2017 l nominatie Archiprix 2018 l Master Architectuur
mentor: Ludo Grooteman

In het boek “De onzichtbare steden” van Italo Calvino brengt Marco Polo verslag uit van zijn reizen langs de verschillende steden in het onmetelijk grote rijk van zijn gast- heer, de keizer Kublai Kan. De steden die hij omschrijft zijn mono functionele steden, steeds gebaseerd rond 1 thema: de continu steden, de subtiele steden, de steden en de doden etc. Zijn inspiratie voor de omschrijving van deze verschillende steden haalt Marco Polo uit slechts 1 stad, zijn geliefde Venetië. Het is immers aan de gebruiker zelf hoe hij de stad met al zijn verschillen ervaart.

Iedere stad is opgebouwd uit verschillende thematische netwerken die ervaren wordt door de gebruiker zelf. Een netwerk van wonen, werken, vervoer, winkelen enz. Ieder netwerk binnen de stad loopt door de ander heen en heeft geen einde daar de stad zich steeds verder uitbreidt. Deze uitbreiding is het gevolg van de trek van mensen van het platteland naar de grote stad, op zoek naar een kans voor een beter leven in de vorm van werk, opleiding, sociaal netwerk, voorzieningen etc. De verwachting is dat vanaf 2050 70% van de mensen in de stad woont.

Deze groei brengt naast kansen ook problemen met zich mee, de druk op de stad wordt alsmaar groter. Een gevolg hiervan is dat de stedelijke bewoner blootgesteld wordt aan diverse stressfactoren, stress veroorzaakt door drukte van mensen, verkeer, geluidsoverlast, werkdruk en sociale stress. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft stress aan- gewezen als één van de belangrijkste gezondheidsrisico’s in de komende jaren. De mogelijke gevolgen van stress, die zich kunnen uiten in mentale en fysieke gezondheids- problemen, zijn naast hart- en vaatziekten, de belangrijkste oorzaak van ziekte en vroegtijdig overlijden. 1 op de 5 werknemers krijgt te maken met gevolgen die gerelateerd zijn aan stress. Rotterdam staat standaard in de top 3 van de burn-out hoofdsteden van Nederland en had in 2013 & 2016 de dubieuze eer om zich burn-out hoofdstad van Nederland te noemen. Het verzuim welke dit tot gevolg heeft kost jaarlijks 1,8 miljard euro.

Dit probleem was voor mij aanleiding om op zoek te gaan naar een mogelijke oplossing vanuit de architectuur. Vanuit analyses, persoonlijke ervaringen en intuïtie is een plan gemaakt om een rustplek te creëren middenin de drukte van de stad Rotterdam. Een schaduwstad waar de stadsbewoner en/of bezoeker zich kan terugtrekken, om zo de dagelijkse hectiek van het huidige Rotterdam te ontvluchten.

Het plan stelt een strategie voor om een nieuw stuk stad toe te voegen in de vorm van een netwerk die over de reeds bestaande netwerken van functies binnen de stad heen gelegd wordt, met als thema: rust. Het uitgangspunt voor het ontwerp is de kloostertypologie, waar de gang het verbindend element is tussen de verschillende functies. In dit ontwerp wordt deze gesloten typologie vervormt naar een open typologie waar de manifestatie van de gang als verbindend element fungeert en de individuele functies, in de vorm van losse gebouwen, verspreid over de stad aan elkaar verbonden worden. Zo wordt een nieuw netwerk gevormd dat zich tussen en door het bestaande stedelijke weefsel beweegt.

De gebouwen zijn hyper contextueel ingepast binnen de bestaande omgeving in vorm, functie en materiaal en bieden een ruimtelijke en functionele beleving toegespitst op rust. Deze beleving wordt bereikt door het gebruik van een beperkt palet aan materialen, namelijk metselwerk en spiegels. Uit onderzoek naar deze materialiteit is een modulaire maatvoering ontstaan die doorgevoerd is met als doel om rust uit te stralen op ieder schaalniveau. Met het metselwerk en de spiegels wordt de beleving van zowel het interieur als het exterieur gemanipuleerd om zo tot een specifieke beleving te komen die de plek of de functie vereist.

In tegenstelling tot de moderne, op uiterlijk gebaseerde en op zichzelf staande iconografische bouwwerken is het plan juist verweven met, en maakt onderdeel uit van de bestaande stad. De gebouwen bieden een ruimtelijke ervaring waarin vormgeving, materiaal en bouwkundige uitvoering op elkaar zijn afgestemd, met als doel het creëren van een rustplek in de drukke stad. Het plan toont een mogelijke uitwerking van de strategie en heeft dan ook geen echt einde maar probeert juist te stimuleren hoe om te gaan met de stad, hoe deze leefbaarder gemaakt kan worden.

Sluiten
Martins Duselis l Roseform
nominatie Archiprix NL 2017 l nominatie De Meester 2016 l Master Architectuur
mentor: Hans van der Heijden

Het project Roseform van Martins Duselis (Masteropleiding Architectuur) betreft een architectonisch ontwerp voor bebouwing op de treintunnel in Rotterdam-Zuid. De kracht van het project is gelegen in een fascinerende, en tegelijkertijd overtuigende, combinatie van onbescheidenheid en bescheidenheid. De uitgangsstelling is onbescheiden, en binnen het actuele debat ook enigszins tegendraads: architectuur heeft zeggingskracht op het schaalniveau van de stad. De gedurfde keuze voor een architectonisch gedefinieerd stedelijk project, geïnspireerd op O.M. Ungers' Grossform, blijkt op zowel het schaalniveau van de stad als op dat van het stadsdeel overtuigend. Op stadsniveau herschrijft het de mental map, terwijl het op stadsdeelniveau het litteken van de spoortunnel heelt en, door de intelligente positionering van de grote blokken en hun parken en tuinen, de omliggende wijken weer met elkaar verbindt. Dit krachtige en agenderende gebaar op stedelijk niveau wordt op gebouwniveau aangevuld, en ondersteund, door een architectonische uitwerking die gekenmerkt wordt door bescheidenheid. Dit is geen architectuur die spektakel wil bieden, maar zich, met een overtuigende inzet van architectonische middelen en zelfbeheersing, wil voegen in de bestaande stad. Het is de architectonische articulatie van een terechte en trefzeker gekozen welgevoeglijkheid, gericht op de reparatie van de stad op het schaalniveau van het alledaagse en het tastbare.

Sluiten
Alex de Jong l Water vernieuwt!
winnaar De Meester 2016 l Master Stedenbouw
mentor: Jeroen Ruitenbeek

Nederland kent een enorme wateropgave. Het water komt van alle kanten. Daar wordt al op allerlei manieren aan gewerkt, maar er blijven majeure knelpunten bestaan. Zoals in Arnhem, waar zich een enorm ‘bottleneck’ in het nationale rivierensysteem bevindt. Terwijl een vergelijkbaar probleem in Nijmegen inmiddels is aangepakt, gebeurt er in Arnhem niets. Met zijn project laat Alex de Jong zien dat een enorme ingreep, een ‘stadsoverlaat’, mogelijk is, die tegelijkertijd de katalysator kan zijn voor de vernieuwing van de naoorlogse wijk Groot Malburgen.

De jury is onder de indruk van de diepgravende combinatie van civiele techniek en stedenbouw in het project. Alex de Jong brengt de polytechnische benadering van de stedenbouw volgens de jury naar een hoger niveau. Vanuit een ijzige waterstaatkundige logica wordt niet alleen een grote wateropgave aangepakt, maar ook een heel stadsdeel een wenkend perspectief geboden. Daarnaast looft de jury de enorme communicatieve kracht van het project en de ontwerper. Alex de Jong is zich ervan bewust, zo constateert de jury, dat de reikwijdte van de stedenbouwkundige ontwerpkracht sterk bepaald wordt door de toegankelijkheid van de wijze waarop het ontwerp en de intenties van de ontwerper worden gecommuniceerd. Dat bewustzijn is van groot belang.

Sluiten
Barend Mense l Inclusive Hackney
nominatie Archiprix NL 2017 l nominatie De Meester 2016 l Master Stedenbouw
mentor: Pieter Jannink

Het project Inclusive Hackney van Barend Mense (Masteropleiding Stedenbouw) is een transformatiestrategie voor de Londonse wijk Hackney. Deze wijk is op dit moment hip and happening, maar haar 'exclusieve' toekomst kondigt zich al aan: grootschalige projectontwikkeling in de vorm van kantoren en dure woningbouw. Het project doet een voorstelbaar tegenbod. De grondige analyse toont aan dat Hackney kwaliteiten heeft, die ook andere vormen van transformatie mogelijk maken. Kwaliteiten die echter noch door de dominante vorm van gebiedsontwikkeling, noch door de vigerende regelgeving onderkend (kunnen) worden. De kracht van het project is gelegen in de keuze van de ontwerper zich vanuit die analyse niet te beperken tot een 'verleidelijk' alternatief ontwerp of masterplan, maar diep in de haarvaten van de regelgeving te gaan zitten om de Londonse marktkrachten een tegenwicht te bieden. Het hart van het project wordt gevormd door de formulering van alternatieve urban design guidelines, waarin niet alleen de eigendomsverhoudingen, belangen, fasering en financieel-economische aspecten een plaats krijgen, maar ook zaken als de verbindende kwaliteit van de openbare ruimte, hergebruik van cultuurhistorisch erfgoed, woningbouwdifferentiatie en het ruimte bieden aan binnenstedelijke (maak)industrie. Op drie plekken in Hackney worden op basis van die nieuwe guidelines interventies voorgesteld, die bewijzen dat een meer inclusieve transformatie daadwerkelijk voorstelbaar is.

Sluiten
Ruben Sannen l Tanah Antara (Tussenland)
nominatie Archiprix NL 2016 | nominatie Archiprix Intl 2017 | winnaar De Meester 2015 | Master Architectuur
mentor: Jaakko van ’t Spijker

Het project ‘Tanah Antara – Tussenland’ kent, met het agenderen van de zeespiegelstijging in relatie tot de toekomst van de metropool Jakarta, een enorme breedte. De commissie is zeer onder de indruk van het feit dat Ruben Sannen zich niet heeft verslikt in die breedte van het onderwerp, maar de opgave heeft weten te vertalen in een consistent afstudeerproject. Het project beweegt zich door een grote bandbreedte van schalen en raakt op elk schaalniveau steeds de juist snaar van subtiliteit. Daarbij stelt het een grote thematische variatie tentoon; van een polemische stellingname tot gedetailleerde constructieprincipes. Die breedte, diepgang en consistentie zijn kenmerkend voor het project.

Binnen de enorme rijkdom van het project is de commissie extra te spreken over de contextgerichtheid van het project. Die is zichtbaar in de essentie van de hoofdstrategie, namelijk om de water- en zeespiegelstijgingsopgave tegemoet te treden vanuit de logica van de kampong als sociale basiseenheid van en cruciale bouwsteen voor de moerassige metropool. Deze hoofdstrategie is eveneens te herkennen in de sociaal-culturele en klimatologische logica van de architectonische uitwerking én in de totale afwezigheid van ‘paternalisme’ in het project: de commissie merkt aan alles dat de bewoners van Jakarta worden daadwerkelijk serieus genomen worden.

Sluiten
Stephan Boon | Getijdenperspectief Belgisch Kustpanorama
nominatie De Meester 2015 | Master Stedenbouw
mentor: Riëtte Bosch

Vijfenzestig kilometer badplaats van Knokke tot de Panne. Een panorama dat ooit gekenmerkt werd door een rijke diversiteit aan kustplaatsen en duingebieden maar tegenwoordig alleen nog bestaat als historische ansichtkaart. Sinds de tweede helft van de 20e eeuw heeft de kuststrook een extreme transformatie ondergaan. Uitgestrekte duinen en vergezichten hebben plaatsgemaakt voor een nieuw panorama van appartementencomplexen, kustpromenades en vakantieparken. Een landschap dat fascineert in zijn uitgesprokenheid maar ook kwetsbaar is. Wat is de toekomst van deze verstedelijkte kuststrook, rekeninghoudend met veranderende recreatiepatronen, het eenzijdige aanbod aan vastgoed, het toenemend belang van natuur en landschap en een steeds verder stijgende zeespiegel.

Dit afstudeerproject presenteert een alternatief toekomstperspectief voor het Belgische kustlandschap tot 2100. Een visie die de strategische relaties tussen zee, kuststrook en achterland inzet bij het formuleren van alternatieven vormen van verstedelijking, recreatie en kustverdediging.

Sluiten
Femke Feenstra | Huis voor Alle Zinnen
nominatie Archiprix NL 2016 l Nominatie De Meester 2015 | Master Architectuur
mentor: Simone Drost

De ambitie van dit afstudeerproject is een nieuw type psychiatrische kliniek te ontwikkelen. Een type kliniek dat bijdraagt aan het welbevinden van patiënten en dat inspeelt op hun behoeften. Niet uitgaande van veiligheidseisen en functionaliteit, maar van zintuiglijkheid en beleving. Gebaseerd op de zintuigelijke waarneming van ieder mens; voelen, zien, horen, ruiken en bewegen. Het ‘Huis voor alle Zinnen’ is een ‘leefomgeving’ die gedachten, gevoelens en gedrag beïnvloedt en die mensen, in plaats van te laten slapen, juist laat ontwaken!

Er wordt heden ten dage bij het ontwerpen en bouwen voor psychiatrische instellingen vooral gedacht in termen van veiligheid, eisen en programma. Dit vertaalt zich te vaak te letterlijk in een prikkelarme, onoverzichtelijke, mensonvriendelijke, anonieme, grootschalige verzameling van ruimten. Het afstudeerproject kiest voor een alternatieve benadering van het ruimtelijk ontwerp voor de psychiatrie. Een afgeschermde wereld die patiënten beschutting, bescherming en ruimte voor de geest geeft. Een wereld waarin ruimtelijkheid en zintuiglijkheid ingezet worden voor het positief beïnvloeden van menselijk gedrag. 'Huis voor alle Zinnen' is daarmee een onderzoek naar hoe er in de psychiatrie een kentering zou kunnen plaatsvinden: van het wegnemen van elke prikkel, naar het stimuleren van patiënten door zintuigelijke prikkels.

Het commentaar van de selectiecommissie RAvB

Het project ‘Huis voor alle Zinnen’ is interessant én relevant, omdat het architectuur op meerdere lagen aanspreekt. Het ontwerp is in architectonische zin, met haar organische vormentaal, zeer uitgesproken. Die vormentaal is het resultaat van een bewuste en expliciete zoektocht naar de maximale architectonische conditionering van de psychiatrische zorg. Door de architectonische articulatie – in vorm, in materialisering, in sfeer en beleving – van de verschillende ruimten direct te verbinden aan verschillende – grondig bestudeerde en in kaart gebrachte – vormen van geestesgesteldheid van de bewoners, formuleert het project een overtuigende en relevante, alternatieve denk- en ontwerprichting voor de omgang met verschillende psychische stoornissen en de rol die architectuur daarbij kan hebben. Vanuit dat perspectief is het project een interessant experiment in een architectuur van de healing environment. Tegelijkertijd stelt het project, op een krachtige en overtuigende wijze, de hedendaagse, sterk financieel gedreven en op maximale efficiëntie gerichte architectuur van de psychiatrische zorg stevig ter discussie. Het feit dat de ontwerper directielid is van een bureau dat zich expliciet op dat terrein begeeft, maakt het project extra opvallend en maakt die inzet van het project ook extra kansrijk.

Uit het commentaar van de Archiprix-jury

"De gepresenteerde benadering biedt een compleet andere context voor de behandeling van psychiatrische patiënten. Het contrast met de bestaande, anonieme, prikkelarme omgeving kan haast niet groter zijn. Het gebrek aan aandacht voor de zintuigelijke aspecten in de ontwikkeling van de typologie van de psychiatrische kliniek wordt met dit plan terecht aan de orde gesteld. Het plan reageert met een fascinerende zoektocht naar passende behandelomgevingen en presenteert een staalkaart aan mogelijkheden."

Sluiten
Katarzyna Nowak | Art in Context
winnares Archiprix NL 2016 l nominatie De Meester 2015 | Master Architectuur
mentor: Ludo Grooteman

Vanuit een bestaand prijsvraagprogramma voor twee musea in Budapest is voor dit afstudeerproject een programma van eisen samengesteld dat de basis legt voor een breed palet aan tentoon te stellen kunstwerken - van middeleeuws tot modern. In het ontwerp ligt de nadruk, in tegenstelling tot bij veel hedendaagse museumprojecten, op het interieur van het museum als context voor de kunstwerken. Daarmee bekritiseert het project de huidige praktijk van iconische museumarchitectuur. Die praktijk leidt er namelijk toe dat kunstwerken losgezongen worden van een betekenisvolle, existentiële context en daarmee hun kracht verliezen.

Daar stelt dit project tegenover dat het de taak van de architect is om een voor de tentoon te stellen kunstwerken passende variëteit aan museumruimten te creëren; museumruimten die in hun maat, schaal, materialiteit, sfeer, lichtinval en andere (ook technische) condities specifieke kunstwerken van een specifieke, betekenisvolle context voorzien. Vanuit dat uitgangspunt is 'Art in Context' een ontwerp voor een museum dat bestaat uit een grote reeks tentoonstellingsruimten die zeer specifiek en, in de zin van tentoonstellingscondities, divers zijn. Daarmee vormt het museum een optimaal kader voor de tentoon te stellen kunst, waarbij de nadruk ligt op de maximale ervaring van de afzonderlijke kunstwerken.

Het commentaar van de selectiecommissie RAvB

Het project ‘Art in Context’ betreft een ontwerp voor een uit twee musea samengesteld museum in Boedapest, met een zeer brede collectie. De commissie is onder de indruk van de rijkdom aan betekenissen én ruimtelijke ervaringen die het ontwerp kenmerkt. En net zo overtuigend is de wijze waarop het enorme programma is georganiseerd: een patchwork aan ruimtes die wordt ontsloten over de diagonalen, waardoor zowel overzicht als dwaalruimte ontstaat, en bijeen gehouden wordt door een graduele verschuiving van gesloten naar open.

Tegelijkertijd formuleert het project een heldere en overtuigend uitgewerkte kritiek op de hedendaagse museumarchitectuur. Vanuit de stellingname dat specifieke kunst om een specifieke ruimtelijke context vraagt, zoekt en vindt de ontwerper een rijk palet aan ruimtetypologieën dat verschillende kunstcategorieën maximaal kan huisvesten. Daarmee ontstaat een hernieuwde museumtypologie die een kunst-specifieke ruimtelijke articulatie agendeert, maar tevens opnieuw veroverd kan worden.

De wijze waarop beide ‘kanten’ van het project samen komen in een ontwerpproces dat vrijwel geheel gestructureerd is rond het maken van een continue stroom (gipsen) ruimtelijke modellen, waarmee de ruimtelijke kwaliteit van de verschillende tentoonstellingsruimte diepgaand is doorgrond, wordt eveneens hogelijk gewaardeerd.

Uit het commentaar van de Archiprix-jury

“Met dit fascinerende afstudeerplan, dat het karakter heeft van een ontwerpend onderzoek, slaagt de ontwerpster er op overtuigende wijze in om gestalte te geven aan haar ambitie om een nieuwe museumtypologie te ontwikkelen. (…) In een goede balans tussen de theorie en het ontwerp wordt een intrigerend museum ontwikkeld met een geheel eigen karakter. Interessant is bovendien dat het ontworpen museum niet alleen een doorsnede toont van de kunstgeschiedenis, maar dat de architectuur van het museum zelf ook een doorsnede van de architectuurgeschiedenis is. Het ontwerp biedt daarmee een heel nieuwe kijk op de typologie van musea. (…) Het intrigerende ontwerp heeft diepgang en weet de beschouwer te pakken, mede dankzij de sprekende maquette en heldere presentatie.”

Sluiten
agenda

Het gehele jaar door biedt de Academie activiteiten aan om kennis te maken met de masteropleidingen Architectuur en Stedenbouw.

10.10

Informatieavond


Meer weten?
Lees meer

08.11

Meeloopdag


Aanmelden
Lees meer

Ja, ik accepteer cookies

Rotterdamse Academie van Bouwkunst gebruikt cookies en vergelijkbare technologieën (cookies) onder andere om u een optimale gebruikerservaring te bieden. Ook kunnen we hierdoor het gedrag van bezoekers vastleggen en analyseren en daardoor onze website verbeteren. 


Cookies van derde partijen maken daarnaast mogelijk dat u informatie kunt delen via social media zoals Twitter en Facebook. Meer informatie hierover vindt u in ons cookie-statement.