Katarzyna Nowak architect MVRDV | alumna Architectuur | winnaar Archiprix 2016
vooropleiding Kunstacademie Krakau

Lees meer
sluiten

Katarzyna Nowak

architect MVRDV | alumna Architectuur | winnaar Archiprix 2016
vooropleiding Kunstacademie Krakau

“Zolang ik mij kan herinneren zijn kunst en architectuur mijn grootste passie geweest. Om mijn droom te kunnen verwezenlijken heb ik mijn geboorteland Polen verlaten en ben ik naar Nederland getrokken. Voor mij was dit geen moeilijke stap. Ik ben niet bang om uit mijn comfortzone te stappen om te komen waar ik wil zijn.

Mijn keuze viel op Nederland vanwege de hoogstaande architectuur, maar ook vanwege de professionaliteit – hardwerkend en gestructureerd – en door haar innovatieve en creatieve klimaat. Na mijn masterstudie interieurarchitectuur aan de Kunstacademie in Krakau wilde ik meteen naar Nederland gaan om te werken. Werk was echter schaars. De Academie bleek het antwoord op mijn wens om de beroepspraktijk te betreden en daarnaast architectuur te studeren.

Het ontwerpen van een object zit in mijn natuur; enkel het ontwerpen van strategieën of structuren vind ik te beperkend. In mijn werk onderzoek ik de invloed die de vorm van een ruimte uitoefent op de mens en hoe het de manier waarop we leven kan bepalen. Daarom vind ik het belangrijk dat projecten een concrete vorm krijgen en dat het ontwerp uitvoerbaar is. De menselijke maat vormt de altijd aanwezige en verbindende factor.”

Katerazyna Nowak won in juni 2016 met haar afstudeerproject ‘art in context’ de Archiprix 2016, de prijs voor de beste afstudeerplannen van Nederland in de disciplines architectuur, stedenbouwbouw en landschap.

relatie tussen architectuur en samenleving

Archiprix

De Nederlandse masteropleidingen architectuur, stedenbouw, landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur selecteren jaarlijks hun beste afstudeerprojecten voor deelname aan Archiprix Nederland. Daarnaast vindt er één keer per twee jaar een internationale editie plaats: Archiprix International. De diversiteit is kenmerkend voor Archiprix. Anders dan bij de meeste prijsvragen is er geen sprake van een gezamenlijke opgave. Zowel het schaalniveau, als de behandelde problematiek, als de wijze van presenteren varieert per project. Aankomend talent wordt vaak voor het eerst door Archiprix gepresenteerd. Archiprix is dan ook dé wedstrijd voor aanstormend ontwerptalent in Nederland.

De Academie mag elk jaar drie afstudeerprojecten voor Archiprix Nederland inzenden en elke twee jaar één project voor Archiprix International. De selectie voor Archiprix Nederland vindt altijd plaats aan het begin van het studiejaar; bij Archiprix International hangt het af van het moment van de jurering en de prijsuitreiking.

De Academie heeft 3 afstudeerprojecten geselecteerd om in te zenden voor Archiprix NL 2021:
Hoogtij van Freek van Riet (Stedenbouw)
MEMA van Eilien Neumann (Architectuur)
EUandME van Johan van Ling (Stedenbouw)

Voor Archiprix International 2021 heeft de Academie Rotterdamse Epifanieën, Descripion by Design van Mahaut Dael (Architectuur) en Michał Długajczyk (Architectuur) ingezonden.

 

 

Selectierapport Archiprix 2021

Freek van Riet I Hoogtij
Nominatie De Meester 2020 & Archiprix NL 2021 I Masteropleiding Stedenbouw
Afstudeermentor: Riëtte Bosch

Opwarming van de aarde, een stijgende zeespiegel en verdwijnende eilanden: het zijn duidelijke effecten van de huidige klimaatcrisis waar we niet onderuit komen. En dat terwijl juist de hardst groeiende steden in Nederland liggen in kwetsbaar gebied, gevoelig voor de grillige effecten van de klimaatcrisis.

Dit afstudeeronderzoek geeft een langetermijnvisie op de verstedelijkingsopgave die tijdig anticipeert op de klimaateffecten, in de vorm van vier locatieafhankelijke strategieën. De reden waarom ik voor dit onderwerp heb gekozen is omdat mijn fascinatie altijd is uitgegaan naar het water, en het willen bedwingen en bespelen ervan door de mens in Nederland. Ik vind het echter verbazingwekkend om te zien dat in de huidige klimaatcrisis het verstedelijkingspatroon zich hier weinig van aantrekt, terwijl juist nu de besluiten worden genomen voor de komende drie (en meer) generaties.

De aanpak van dit afstudeeronderzoek is gebaseerd op een analyse van het verstedelijkt landschap in een complex gelaagd systeem en op een historische analyse. De opbouw van het verstedelijkt landschap is bekeken in lagen, waar de effecten en investeringen door menselijke ingrepen door de jaren heen in deze systemen in kaart zijn gebracht. Elk met een eigen procesdynamiek: de laag van de ondergrond, de laag van netwerken en de laag van occupatiepatroon. De historische analyse maakt inzichtelijk hoe we in Nederland vanuit de verschillende lagen van het landschap om zijn gegaan met veranderlijke situaties, en hoe lang het duurt om grote infrastructurele projecten en kunstwerken te realiseren. De lessen uit het verleden vormen daarmee de bouwstenen voor de toekomst.

Vier handelingsperspectieven voor de toekomst zijn het eindproduct. De perspectieven zijn gebaseerd op ogenschijnlijk tegenstrijdige strategieën, namelijk: aanvallen, verdedigen, terugtrekken en verbinden. Omdat Nederland echter verschillende landschappen en culturen per gebied heeft, is in dit ontwerpend onderzoek gekozen voor het analyseren van en ontwerpen voor vier verschillende locaties in Nederland: Scheveningen aan de Hollandse Kust, Krimpen aan de Lek als onderdeel van de Krimpenerwaard binnen het Groene Hart, Arnhem als stad op het grensvlak van de Veluwe en het Rivierenland en de corridor Rotterdam - Arnhem (snelweglandschap). De handelingsperspectieven bieden een nieuwe manier aan in het langetermijn ontwerpen voor Nederland.

Sluiten
Eilien Neumann I MEMA
Nominatie Archiprix NL 2021 I Masteropleiding Architectuur
Afstudeermentor: Bart Hollanders

Een groeiende collectiviteit en een ruimtelijke nederigheid

Dit museum luidt het einde in van het museum als autonoom icoon en gaat in tegen de bestaande bouwcultuur. Het brengt de kwaliteit en de schoonheid van het alledaagse en het gewone naar voren. Ik introduceer nieuwe gebruiksperspectieven voor ruimtes die een stad reeds heeft. Dit leidt tot andere, niet conventionele architectonische oplossingen omtrent de herbestemming van gebouwen die ingaan tegen de wegwerparchitectuur en het alom aanwezig ruimtegebrek.

Veel kunst in hedendaagse musea hangt in eenduidige, generieke en eenvormige ruimtes. Zo kan de kunstenaar het niet hebben bedoeld. Als curator put ik uit de Belfius collectie, een collectie over het alledaagse die nu elitair tentoon wordt gesteld op de 32e verdieping van de Belfiustoren. De kunst stel ik tentoon in ruimtes specifiek uitgekozen en ontworpen voor de kunst. Door enkel te werken met de bestaande publieke ruimte en het alledaagse bestaande patrimonium ontstaan nieuwe onbekende ensceneringen en collages.

Het museum nestelt zich in leegstaande woningen, schuren, koterijen en parkeergarages in de Seefhoek in Antwerpen. De Seefhoek heeft een hoge densiteit en een lage kwaliteit van publieke ruimte. Slechts 1 op de 8 woningen bezit buitenruimte. Met subtiele en minimale ingrepen wordt het bestaande patrimonium een nieuw leven in geblazen. Elke ingreep geeft iets terug aan de wijk: een ontmoetingsplek, lokale artists in residence, nieuwe verbindingen of de opwaardering van de publieke ruimte. De museum-as kan groeien en krimpen, verwerven en teruggeven. Stedenbouwkundig ontvouwt er zich een nieuwe culturele route door het stadsdeel.

De nieuw ontworpen museum-as loopt van het atelier van Sam Dillemans tot het atelier van Panamarenko. De zeven kilometer lange route met 21 locaties wordt zichtbaar gemaakt door de introductie van een lijn, vormgegeven door groene betontegels, half zo groot als de standaard stoeptegel. Deze tegel slingert door het bestaande stedelijke weefsel en transformeert zichzelf van stoep tot plint en omkadering.

Het museum herwaardeert de bruisende Seefhoek. Bezoekers vanuit de hele wereld vermengen zich met de bevolking. Jonge lokale artiesten worden in de schijnwerper gezet. De bestaande eethuizen en winkels varen wel bij de komst van het museum. De Seefhoek kan zich weer meten als culturele wijk met de rest van Antwerpen.

Sluiten
Johan van Ling I EUandME
Nominatie De Meester 2020 & Archiprix NL 2021 I Masteropleiding Stedenbouw
Afstudeermentor: Ruurd Gietema

Sinds de komst van Europa in Brussel hebben roestvrij staal, graniet en glas het stedelijk leven in de Leopoldswijk verdrongen. Deze representatie staat haaks op de basisprincipes van Europa. Project Europa is ontstaan uit de wil tot samenwerking, uitwisseling en afhankelijkheid. Hoe groter deze afhankelijkheid, hoe minder kans op een herhaling van WOII.

Inmiddels staat project Europa onder druk en heeft moeite om haar missie te uiten richting de burger; deze onmacht tot representatie van Europa wordt niet alleen duidelijk zichtbaar in de Europese wijk, maar heeft inmiddels ook geleid tot de Brexit. Stedenbouwkundige en architectonische representatie heeft haar verantwoordelijkheid ten opzichte van de stad en de gemeenschap. Des te meer in het geval van de Europese Unie.

De ruimtelijke representatie van het Europese programma gaat daarmee compleet voorbij aan de complexe situatie van Brussel. Deze kan juist dienen als een ideale ‘ground zero’ voor Europa, gelet op de grote politieke (19 deelgemeenten, 3 talen), ruimtelijke (oost en west) en sociale fragmentatie (meest multiculturele stad van Europa). De aantrekkingskracht van Brussel berust juist op een gemengde, meer-lagige, hybride omgeving. Hoe kan de Europese Unie haar missie zichtbaar maken in de stad en de diversiteit en complexiteit van Brussel productief maken? Door de EU te verplaatsen van het hoger gelegen gedeelte in de stad naar het Zuidstation, middenin de vallei. Het dichtstbevolkte deel van de stad, met de meeste culturele diversiteit en minste (kwantitatief en kwalitatieve) openbare ruimte. Juist op deze plek, waar ook de wekelijkse grootste markt van Europa plaatsvindt, kan Europa voor ruimtelijke, sociale en politieke uitwisseling zorgen.

Van een veelheid aan kleine gebouwen landt er op het Zuidstation één groot blok met een tuin aan de binnenzijde van Europees formaat. Het Europese programma landt daarmee in het hart van het Europese sporennetwerk. Een injectie met een grote naald die voortbouwt op een historie van integrale aanpakken in de stad, gebaseerd op een ruimtelijke visie in de tijd van Leopold II waarin de mobiliteit, het stadsweefsel en het landschap werden beschouwd als een geheel. Deze ‘Megaform’ als stedelijke centraliteit zoekt de verbinding met de ontwikkelingen van de Abattoir aan het kanaal, door middel van langzaam verkeersverbindingen en programmatische verdichting in de straten tussen de slachthuizen en het Zuidstation. De Europese tuin loopt door in de openbare ruimte richting Boulevard Anspach, waardoor de Zennevallei, door het hart van de stad, weer leesbaar wordt als publieke structuur.

Het nieuwe Europese huis is een monument zonder spektakel, waar het juist gaat om de bezoeker en niet het gebouw, als machine voor common ground. Waar zowel geformaliseerde politieke bijeenkomsten als alledaagse activiteiten naast elkaar kunnen bestaan. Een machine tussen leegte en activiteit, voor alle Brusselaren. Voor Europeanen. Voor EUandME.

Sluiten
Wander Hendriks I Vermogen van de stad
nominatie Archiprix NL 2020 I Masteropleiding Stedenbouw
afstudeermentor: Eric Frijters

Op 12 december 2015 werd het Akkoord van Parijs gepresenteerd, een verdrag om klimaatverandering tegen te gaan. Want klimaatverandering is aan de orde van de dag en komt met lusten en lasten. Veelal is men zich bewust van de lusten; zo heb ik dit jaar aardig geboerd met mijn zonnepanelen en hebben we allemaal genoten van een heerlijke zomer. Helaas is klimaatverandering niet iets wat we per moment moeten bekijken en waar we alleen van kunnen genieten, want een te grote verandering kan vergaande gevolgen hebben voor toekomstige generaties. Om de toekomstige generaties te behoeden voor een onleefbare omgeving hebben de leiders van de wereld dit Akkoord van Parijs bereikt voor het (zoveel mogelijk) behouden van onze huidige leefomgeving. Dit akkoord moet processen in gang zetten om de aarde niet veel verder te laten opwarmen door de CO2 uitstoot te verlagen. Het produceren en gebruiken van energie is wat voornamelijk de CO2-uitstoot creëert en voor de opwarming zorgt. 

Maar hoe kan een mondiaal akkoord ingepast worden in onze alledaagse leefomgeving? Welke stedelijke interventies moeten er gedaan worden om de stad zowel leefbaar te maken voor toekomstige generaties als de uitstoot van CO2 tegen te gaan? 

In het ontwerpend onderzoek ‘Vermogen van de stad’ wordt de groei van de stad gekoppeld aan lokale energiebronnen. Er wordt gekeken naar nieuwe strategieën voor verdichting en een maximaal gebruik en inbedding van verschillende stedelijke energiebronnen. Het juiste type energiebron en de juiste gebruiker worden gekoppeld waarna bepaald wordt in welke vorm van stedelijk ontwerp dit het best gepast. Als testcase is de gemeente Nijmegen gekozen, de oudste stad van Nederland, die diverse periodes van transitie kent en voor 2018 gekozen is tot European Green Capital.

Na een analyse van de energievraag en de CO2 uitstoot van de stad worden binnen de gemeentegrens diverse energiebronnen met hun mogelijke potentie gekwantificeerd. Vanuit deze verschillende energiebronnen wordt een strategisch stedelijk netwerk uitgerold die de grote energieverbruikers koppelt aan de grote energiebronnen. Deze nieuwe slagader van de stad is zo vormgegeven dat energie en toekomstige infrastructuren, als smart-charching, fijne snelfietspaden, klimaat adaptieve structuren en woningbouw, gekoppeld worden en zowel boven- als ondergronds een eenheid vormen.

De woningbouwopgave krijgt gestalte langs deze nieuwe stedelijke slagader en takt aan de op de uitwisseling van energie stromen. Hierdoor wordt de woningbouwopgave direct verspreid door de stad en worden logische herstructurerings- en nieuwbouwlocaties gevonden. De bestaande woningvoorraad wordt locatie-specifiek gekoppeld aan uitwisselbare energie alswel autarkische vormen van energie. Voor zowel nieuwbouw als bestaande bebouwing worden de stedenbouwkundige structuren heroverwogen en in een voorbeeld uitwerking getest op de koppeling tussen energie en een gepast leefklimaat.

Sluiten
Amber Peters I Terminal 1, de geconditioneerde reis naar de vrijheid
nominatie Archiprix NL 2020 I Masteropleiding Architectuur
afstudeermentor: Claudio Saccucci

Op hogere schaalniveaus zoekt architectuur een complexe interactie. Deze interactie zorgt er echter voor dat steeds meer gebouwen machines worden waarin ruimtes worden afgevlakt en de mens wordt overgenomen door het gebouw. Zo zijn hedendaagse terminals – als onderdeel van een vliegveld – grote verwerkingsmachines van reizigers die zich afzetten tegen de menselijke maat. Het zijn superstructuren waarin ruimtes zo generiek mogelijk worden ingezet. De ruimtes van een terminal als machine zijn allemaal vanuit functionaliteit ontworpen. Anoniem en steriel. Het is een ruimte waarbinnen reizigers kunstmatig in een vacuüm worden gedrukt. In Terminal 1 is dit anders; binnen het uiterst functionele ligt een sterke ruimtelijke en esthetische component, die de reis van de reiziger benadrukt.

Binnen 'het gecontroleerde vacuüm' wordt de superstructuur samengebracht met het detail van het interieur. De verschillende fases van het aankomst- en vertrekproces worden benadrukt. Per ruimte is er een specifiek programmaonderdeel zodat gebruikers een betere oriëntatie hebben wanneer zij deel uitmaken van de machine. Binnen het gecontroleerde vacuüm benadrukt het ruimtelijk ontwerp de zware controle en is de 'reis voor de reis' meer dan alleen het goed laten functioneren van diverse stromen en het consumeren van reizigers.

'De machine' is gelegen in het meest kunstmatige stuk Nederland, de Flevopolder, op de huidige locatie van Lelystad Airport. De locatie is ondergeschikt aan het gebouw en interieurontwerp en dient als case study voor het autonome vacuüm.

Reizen gaat over vrijheid, maar om op reis te kunnen moet je eerst in ieder onderdeel van het proces steeds meer delen van je vrijheid opgeven. Daarna kan de vrijheid gevierd worden.

Sluiten
Mahaut Dael & Michał Długajczyk I Rotterdamse Epifanieën
nominatie Archiprix NL 2020 I Masteropleiding Architectuur
afstudeermentor: Marius Grootveld

De locatie, aan de kruising tussen Coolsingel, Hoogstraat en Beurstraverse, is altijd representatief geweest voor de ambitie en het karakter van de stad, een karakter gericht op de toekomst. 'Vooruit dan maar!'. Sinds de wederopbouw is de locatie een terrein voor architectonische en stedelijke plannen, eerst gedefinieerd als open-air winkelcentrum met sterke modernistische principes, in de jaren 90 met de aanleg van de Beurstraverse en de ondergrondse kruising, en tegenwoordig met de transformatie van de Coolsingel in een voetgangersboulevard. Deze vooruitgang in de veranderingen van dit stadsdeel zijn aan de ene kant een sterke karakteristiek van Rotterdam, maar aan de andere kant veroorzaken ze een eclectisch geheel dat moeilijk te lezen is en daarom een gebrek aan publiek gebruik en toe-eigening veroorzaakt.

Dit project omarmt dit eclecticisme en onderzoekt de beleving en betekenis van de locatie. In een tijd waar alles constant verandert, waar alles bekend is, is er een nood om transformaties van omgevingen te ondervragen en alternatieven op basis van bestaande elementen voor te stellen. Met dit project wordt een tweede natuur van dit stuk Rotterdam gecreëerd door manipulatie van zijn architectonische ingrediënten. Zoals het ontwerp middeleeuwse karakteristieken in de bestaande moderne architectuur onthult, is het een resultaat van de versterking en toevoeging van middeleeuwse composities aan de hand van moderne elementen.

Rotterdamse Epifanieën beschrijft de momenten van erkenning door de gebruiker, van de gelaagdheid van de locatie. De creatie van een parallelle realiteit stelt hem in staat ook andere bestaande kwaliteiten te herkennen, beleven en daar op te reflecteren.

Sluiten
Paul van den Bergh I META
nominatie Archiprix NL 2019 I master architectuur
mentor: Samir Bantal

META is een verkenning van de consequenties voor onze leefomgeving van een verdergaand proces van digitalisering, medialisering en globalisering waarvan de opkomst van sociale media, (big) data mining en de ontwikkeling van een nieuwe tak van industrie de aanjagers zijn. Deze maatschappij-brede implementatie van disruptieve technologieën is te lezen als een derde moment van Moderniteit, een derde shock toegediend aan het systeem. Het dubbele moment van de moderniteitservaring geldt ook hier: We willen alles delen met de wereld, en tegelijkertijd willen we al onze persoonsgegevens beschermen. Oftewel, met al het enthousiasme genieten we van de publieke viering van alles wat ons bezighoudt, en tegelijkertijd zijn we bang voor wat de grote tech-bedrijven, overheden en onzichtbare partijen met onze intiemste data doen. Dit dubbel moment van transparantie en vrijheid enerzijds en roep om veiligheid en beschutting anderzijds lijkt gelijkwaardig aan het moment van crisis dat ook de vroege Moderniteit kenmerkte.

META is een architecturaal installatiekunstwerk dat de schalen van individuele woning tot regio aanraakt en laat zien wat de ultieme consequentie is van het wonen in deze gefragmenteerde wereld. De gehanteerde strategie is die van de activist-ontwerper. De dystopische donkere zijde van een digitaal Utopia, met enkele kleine lichtpunten. Op biografische wijze zijn verhalen uit de nieuwe digitale wereld van de hedendaagse wereldbewoner opgediept en vertaald in architectonische en stedenbouwkunstige narratieven. Van een nomadische stam die niet enkel meer van waterbron naar waterbron trekt, maar ook van mobiele telefonie-mast naar mast tot Chinese heropvoedingskampen voor jongeren waarvan game-verslaving vermoed wordt; ze worden vertaald en vormen onderdelen van META als gefragmenteerde maquette van een megastructuur.

META is een gecureerde verzameling videofragmenten, teksten, maquettes en beelden die categorisch elk moment van synthese en harmonie eindeloos uitstelt. Door niet zelf te spreken, maar filmbeelden te larderen met een identiteitsloze voice-over blijft META ambigue. META roept vragen op naar de omgang van de hedendaagse architect en stedenbouwer met de onontkoombare processen van digitalisering en medialisering. Hoe als ontwerper na te denken over theorie en praxis in een maatschappij waar identiteit ontmanteld wordt als verhandelbare data, waar de verhouding tussen individu en massa nog verder ontrafeld wordt tot een onherleidbare brei van belangen en posities, waar zowel opwinding voor het nieuwe en heimwee naar het oude naast elkaar bestaan.

Sluiten
Michelle Kox I De sequentiële ruimte
nominatie Archiprix NL 2019 I master architectuur
mentor: Hans van der Heijden

De leegte als uitgangspunt voor een architectonisch stadsplan op het Marineterrein in Amsterdam

Via de historische toegangspoort betreed ik een domein van fragiele, intieme en constant aan verandering onderhevige tuinen. Ik dwaal door ommuurde buitenkamers. De stad en haar geluiden liggen achter mij. Ik neem de materialen en constructies in mijn omgeving waar, elk met een eigen structuur, ritme en kleur. Een gevoel van geborgenheid valt over me heen. Er heerst een serene stilte. Ik doorkruis het plein en zoek de beschutting van de arcade. De zware kolommen en wisselende dieptes leveren een sensatie van licht en schaduw.

De ommegang biedt omsloten doorkijken naar volgende kamers en stadsgezichten. Zo kijk ik uit over het ruwe water van het IJ, dat contrasteert met de strenge orde en het ritme van de stedelijke wanden om me heen. In de verte ligt het Scheepvaartmuseum, als een prachtig schilderij van een verstild stadsbeeld.

Het Marine Etablissement Amsterdam is van oudsher een verborgen enclave. Op deze historische plek, die 350 jaar lang een gesloten vesting is geweest, biedt dit project een tegenpool van rust en introspectie aan de drukte van de stad. Het gebied is niet objectmatig verkaveld maar de leegtes zijn omsloten en architectonisch ontworpen.

Het terrein krijgt twee gezichten. Langs de randen bevinden zich groene en open ruimtes, met een panoramisch uitzicht over het water. De binnenpleinen zijn introvert en ommuurd. Ze kaderen specifieke uitzichten op de historische binnenstad en haar relicten in.

Alle architectonische moduleringen zijn er op gericht om de weldaad van leegte en sequenties van stedelijke ruimte te beleven. Het plaatsen van ronde bogen dwars over de lengte van een arcade, variaties in groottes, hoogtes en dieptes, verschillen in vloerniveaus en de bewuste wisseling van brede naar slankere kolommen. Deze ingrepen brengen onderscheid aan in de doorgaande, open ruimte. Het wordt zo mogelijk gemaakt om, ook al ben je in dezelfde ruimte, je toch in een volgende ruimte te wanen.

Onder dit alles ligt een repeterende draagstructuur die geënt is op de alledaagse banaliteit van parkeren. Er is een continue wisselwerking tussen dit dwingende grid en de behoefte aan luchtige, afwisselende sequenties bovengronds. Door de draagstructuur in één richting, volgend uit de aangrenzende grachtengordel, te plaatsen is er verschil gemaakt in de dikte van de massa’s in een verhouding van 2 tot 3. Dit werkt door in verschillen in buitenkamers, tussenruimtes en woningtypes.

Uiteindelijk resulteert de wederzijdse afhankelijkheid van ruimtes in een pulserende ruimtelijkheid. Doordat je als gebruiker op hetzelfde moment verschillende ruimtes waarneemt, is de ruimtelijke ervaring dynamisch in plaats van stationair. De stad wordt zo een serie structuren en ruimten in plaats van een verzameling van losse objecten.

Sluiten
Bram van Ooijen I wihdaTopia
nominatie Archiprix NL 2019 I De Meester 2018 I master stedenbouw
mentor: Martin Aarts

Vluchtelingenkampen zijn de steden van morgen

De vluchtelingencrisis van de eenentwintigste eeuw is een stedelijk probleem: er leven op het moment meer vluchtelingen in steden dan in kampen. In tegenstelling tot kampen bieden steden vluchtelingen kansen en uitzicht op een toekomst. Daarmee verplaatst het humanitaire probleem en de huisvestingsopgave zich van een niemandsland naar de bestaande leefomgeving. Hoe gaan we om met deze nieuwe realiteit?

Invloedrijke geschriften benadrukken in zijn algemeenheid de tekortkomingen en de uitzonderingspositie van vluchtelingenkampen. Kamp en stad zijn vaak met elkaar vergeleken. Waar de stad de normaliteit vertegenwoordigt, wordt het kamp afgeschilderd als de plek van verharde nationale identiteiten en ideologieën of, omgekeerd, als een plaats van opsluiting voor geopolitieke slachtoffers. Deze vooringenomen stelling kan ertoe leiden dat de ingewikkelde sociale relaties, die vluchtelingen met de stad kunnen ontwikkelen, over het hoofd worden gezien.

Als we de complexiteit van vluchtelingenkampen beter willen leren begrijpen, moeten we afzien van het benadrukken van de verschillen en op zoek gaan naar de overeenkomsten tussen kamp en stad. Sterker nog, de redenering moet zich niet beperken tot de discussie of vluchtelingenkampen het best gedefinieerd kunnen worden in termen van nabijheid en openheid, maar bepleiten hoe deze dimensies uiteindelijk met elkaar verbonden kunnen zijn. Van daaruit kan het vluchtelingenkamp zich vanuit de uitzonderingstoestand, via een heterotopische tussenfase, ontwikkelen tot een inclusieve stadswijk.

Wihdatopia onderzoekt de dubbelzinnige relatie tussen kamp en stad door een praktijkvoorbeeld te
bestuderen. Het gaat dan om het vluchtelingkamp Al Wihdat, een 60 jaar oude, Palestijnse vluchtelingennederzetting, die anno 2017 nog steeds afhankelijk is van internationale hulpverlening, en Amman, de hoofdstad van Jordanië. Welke lessen kunnen we leren van dit stedelijk vluchtelingenkamp? Als de realiteit van het hulpverleningsvraagstuk een stedelijk probleem is, hoe ziet de toekomst van deze plek er dan uit?

Sluiten
Ben Wegdam l Nieuwe energie Twente
nominatie Archiprix NL 2018 l nominatie De Meester 2017 l Master Stedenbouw
mentor: Sander Lap

De opwarming van de aarde tot ruim onder de 2 graden beperken. Dat spraken 195 landen afgelopen jaar af in het klimaatakkoord van Parijs. De doelstelling van dit klimaatverdrag voor 2050 is dat wereldwijd de CO2 uitstoot met 80 tot 95% ten opzichte van 1990 wordt gereduceerd. Dit betekend dat we over moeten stappen van fossiele naar duurzame en hernieuwbare energiebronnen, de energievraag beperken en/of de uitstoot van CO2 afvangen en opslaan. Bij het afstappen van fossiele energiebronnen en overschakeling naar duurzame en hernieuwbare bronnen, betekent dat de geconsumeerde energie lokaal geproduceerd moet gaan worden.

Nederland heeft samen met meer dan 40 landelijke instellingen het energieakkoord ondertekend om de Europese doelstelling te halen. Het opschalen van hernieuwbare energieopwekking vormt een belangrijke pijler van dit Energieakkoord. Het is aan de verschillende stedelijke regio’s om hier verdere invulling aan te geven hoe deze doelstellingen behaald worden, Europa stuurt aan op de innovatiekracht die in de stedelijke regio’s liggen. De visie van de Rijksoverheid ten aanzien van de Nederlandse ruimtelijke ordening sluit aan bij deze Europese gedachte. Met name de regio krijgt hierin een steeds belangrijkere taak om de transitie van conventionele naar hernieuwbare e energie te leiden en lokale initiatieven te ondersteunen en faciliteren, maar hoe komt dit eruit te zien?

We kunnen vandaag de dag woningen energieneutraal maken, kleine landelijke gemeenschappen in haar eigen energie voorzien, maar voor een stedelijke regio’s is dit nog de vraag hoe we dit op gaan lossen. Dit is dus de logische vervolgstap in de omschakeling naar en opschaling van een hernieuwbare energievoorziening. Onze energievoorziening zal dus steeds meer onderdeel worden van onze directe leefomgeving, maar de weerstand in de gemeenschap voor plaatsing van grootschalige energieprojecten op het vaste land is vaak nog groot, ondanks dat dit echt nodig is om de doelstelling voor 2050 te kunnen behalen.

Voor mijn afstudeeropgave heb ik de regio Twente als casus genomen. Twente is niet zomaar een perifere landelijke regio, maar is ook een regio die exemplarisch  is voor Nederland. Het landgebruik (verhouding stedelijk en landelijk gebied), inwonerdichtheid en energiegebruik van Twente is vergelijkbaar met het landelijk niveau.  Daarbij heb mijzelf de opgave gesteld hoe Twente er mogelijk uit kan komen te zien in 2050 wanneer zij 100% zelfvoorzienend is in haar eigen energievoorziening. Dit afstudeerproject laat niet alleen goed zien welke zware opgave Twente  staat te wachten, maar dus ook de belangrijkste opgave voor Nederland voor de komende 35 jaar. Hoe ziet onze toekomstige energievoorziening eruit en wat de impact s op de stedelijke regio’s en landschap? Hoe zal het landschap / landelijk gebied gaan veranderen? Welke ingrepen zijn er nodig op welk niveau. Dit zijn een aantal vragen die ik bij deze afstudeeropgave heb proberen te beantwoorden in een toekomstvisie voor Twente 2050.

Sluiten
Maarten de Haas l In navolging van het voorafgaande
winnaar Archiprix International 2019 I nominatie Archiprix 2018 l nominatie De Meester 2017 l Master Architectuur
mentor: Rien Korteknie

Naast de stofzuiger in de meterkast hangt dan de modem. Voor velen het enige fysieke element van het internet. Het punt waar jij je alleen druk om hoeft te maken. De wifi-verbinding vis je zo uit de lucht en je bestanden, e-mails en foto’s sla je met hetzelfde gemak op in een cloud.

Het achterliggende systeem wat dit allemaal mogelijk maakt is verborgen onder het straatniveau en gehuisvest in gigantische datacenters ergens midden in het landschap. Wanneer je de gemakzucht weet te overwinnen en je je afvraagt waar precies je bestanden cq. gegevens zijn opgeslagen, vind je die zekerheid niet.

In de replica van de echte wereld zijn mensen 24 uur per dag en 7 dagen per week bezig het internet draaiende te houden en jouw te dienen. In die zin leeft men daar in de schaduw van hun werk.

Aan het blinkende en onverweerbare datacentre in het centrum van Rotterdam zit een kleine dienstwoning vast waar de conciërge woont zodat hij bij calamiteiten binnen enkele seconden aanwezig kan zijn om ze op te lossen. De dienstwoning van het datacenter bevind zich exact op scheidslijn tussen de geheime binnenwereld van het datacentre en de gemeenschappelijke buitenwereld samen met de romantiek in zijn hoofd. Waar de conciërge met zijn handen leunend op de vensterbank naar de voorbij rijdende trein staart zonder hem te zien, ergerend hij zich aan de houten kozijnen die opnieuw een verflaag nodig hebben.

Sluiten
Jurgen ten Hoeve l Stadsklooster Rotterdam
De Meester 2017 l nominatie Archiprix 2018 l Master Architectuur
mentor: Ludo Grooteman

In het boek “De onzichtbare steden” van Italo Calvino brengt Marco Polo verslag uit van zijn reizen langs de verschillende steden in het onmetelijk grote rijk van zijn gast- heer, de keizer Kublai Kan. De steden die hij omschrijft zijn mono functionele steden, steeds gebaseerd rond 1 thema: de continu steden, de subtiele steden, de steden en de doden etc. Zijn inspiratie voor de omschrijving van deze verschillende steden haalt Marco Polo uit slechts 1 stad, zijn geliefde Venetië. Het is immers aan de gebruiker zelf hoe hij de stad met al zijn verschillen ervaart.

Iedere stad is opgebouwd uit verschillende thematische netwerken die ervaren wordt door de gebruiker zelf. Een netwerk van wonen, werken, vervoer, winkelen enz. Ieder netwerk binnen de stad loopt door de ander heen en heeft geen einde daar de stad zich steeds verder uitbreidt. Deze uitbreiding is het gevolg van de trek van mensen van het platteland naar de grote stad, op zoek naar een kans voor een beter leven in de vorm van werk, opleiding, sociaal netwerk, voorzieningen etc. De verwachting is dat vanaf 2050 70% van de mensen in de stad woont.

Deze groei brengt naast kansen ook problemen met zich mee, de druk op de stad wordt alsmaar groter. Een gevolg hiervan is dat de stedelijke bewoner blootgesteld wordt aan diverse stressfactoren, stress veroorzaakt door drukte van mensen, verkeer, geluidsoverlast, werkdruk en sociale stress. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft stress aan- gewezen als één van de belangrijkste gezondheidsrisico’s in de komende jaren. De mogelijke gevolgen van stress, die zich kunnen uiten in mentale en fysieke gezondheids- problemen, zijn naast hart- en vaatziekten, de belangrijkste oorzaak van ziekte en vroegtijdig overlijden. 1 op de 5 werknemers krijgt te maken met gevolgen die gerelateerd zijn aan stress. Rotterdam staat standaard in de top 3 van de burn-out hoofdsteden van Nederland en had in 2013 & 2016 de dubieuze eer om zich burn-out hoofdstad van Nederland te noemen. Het verzuim welke dit tot gevolg heeft kost jaarlijks 1,8 miljard euro.

Dit probleem was voor mij aanleiding om op zoek te gaan naar een mogelijke oplossing vanuit de architectuur. Vanuit analyses, persoonlijke ervaringen en intuïtie is een plan gemaakt om een rustplek te creëren middenin de drukte van de stad Rotterdam. Een schaduwstad waar de stadsbewoner en/of bezoeker zich kan terugtrekken, om zo de dagelijkse hectiek van het huidige Rotterdam te ontvluchten.

Het plan stelt een strategie voor om een nieuw stuk stad toe te voegen in de vorm van een netwerk die over de reeds bestaande netwerken van functies binnen de stad heen gelegd wordt, met als thema: rust. Het uitgangspunt voor het ontwerp is de kloostertypologie, waar de gang het verbindend element is tussen de verschillende functies. In dit ontwerp wordt deze gesloten typologie vervormt naar een open typologie waar de manifestatie van de gang als verbindend element fungeert en de individuele functies, in de vorm van losse gebouwen, verspreid over de stad aan elkaar verbonden worden. Zo wordt een nieuw netwerk gevormd dat zich tussen en door het bestaande stedelijke weefsel beweegt.

De gebouwen zijn hyper contextueel ingepast binnen de bestaande omgeving in vorm, functie en materiaal en bieden een ruimtelijke en functionele beleving toegespitst op rust. Deze beleving wordt bereikt door het gebruik van een beperkt palet aan materialen, namelijk metselwerk en spiegels. Uit onderzoek naar deze materialiteit is een modulaire maatvoering ontstaan die doorgevoerd is met als doel om rust uit te stralen op ieder schaalniveau. Met het metselwerk en de spiegels wordt de beleving van zowel het interieur als het exterieur gemanipuleerd om zo tot een specifieke beleving te komen die de plek of de functie vereist.

In tegenstelling tot de moderne, op uiterlijk gebaseerde en op zichzelf staande iconografische bouwwerken is het plan juist verweven met, en maakt onderdeel uit van de bestaande stad. De gebouwen bieden een ruimtelijke ervaring waarin vormgeving, materiaal en bouwkundige uitvoering op elkaar zijn afgestemd, met als doel het creëren van een rustplek in de drukke stad. Het plan toont een mogelijke uitwerking van de strategie en heeft dan ook geen echt einde maar probeert juist te stimuleren hoe om te gaan met de stad, hoe deze leefbaarder gemaakt kan worden.

Sluiten
agenda

Het gehele jaar door biedt de Academie activiteiten aan om kennis te maken met de masteropleidingen Architectuur en Stedenbouw.


Ja, ik accepteer cookies

Rotterdamse Academie van Bouwkunst gebruikt cookies en vergelijkbare technologieën (cookies) onder andere om u een optimale gebruikerservaring te bieden. Ook kunnen we hierdoor het gedrag van bezoekers vastleggen en analyseren en daardoor onze website verbeteren. 


Cookies van derde partijen maken daarnaast mogelijk dat u informatie kunt delen via social media zoals Twitter en Facebook. Meer informatie hierover vindt u in ons cookie-statement.